Home
Bible
Old Testament
New Testament
Christianity
Bible Studies

Introduction NT

Het evangelie naar Mattheüs

Algemeen

Dit eerste boek van het Nieuwe Testament behoort tot wat men noemt: de synoptische evangeliën (Mattheüs, Marcus en Lucas). 'Synoptisch' wil zeggen dat deze evangeliën min of meer vanuit hetzelfde standpunt geschreven zijn. Vele gebeurtenissen tijdens het optreden van de Here Jezus vinden we in elk van deze evangeliën beschreven. In dat opzicht neemt het evangelie van Johannes een meer aparte plaats in, waarin vooral de Goddelijke kant van de Heiland wordt beschreven. Toch vormen deze vier evangeliën een eenheid in hun beschrijving van de Here Jezus tijdens Zijn dienst op aarde. Hierbij wordt Hij getoond vanuit vier verschillende 'gezichtshoeken'. Het Mattheüs evangelie behoort met het boek Handelingen wat het aantal hoofdstukken betreft tot de grootste bijbelboeken van het Nieuwe Testament.

Schrijver en ontstaan

Mattheüs; zijn naam betekent: Gift van de HERE.

Mattheüs was, voor hij door de Heer geroepen werd, tollenaar (Matt. 9:9). Dat was een belastinginner namens de Romeinse overheersers. Hij behoorde tot de twaalf apostelen (Matt. 10:2 en 3). De overige teksten waar zijn naam voorkomt, zijn: Marcus 3:18; Lucas 6:15 en Handelingen 1:13.

Het tijdstip van ontstaan van dit evangelie ligt waarschijnlijk rond het jaar 60 na Christus.

Doel en bestemming

Door dit gehele evangelie heen wordt duidelijk dat de Heer naar voren komt als de door God aangestelde Koning, de Messias/Christus des HEREN. Psalm 2 zegt: "Ik heb immers Mijn Koning gesteld over Sion, Mijn heilige berg" (vs. 6). Juist omdat het koningschap vooral betrekking heeft op het volk Israël is de boodschap van dit evangelie met name bestemd voor dit volk. Aan hen werd het koninkrijk gepredikt en door hen werd de Koning verworpen. Eenmaal zal Hij echter door het gelovig overblijfsel van het volk ontvangen worden met de woorden "Gezegend Hij, Die komt in de Naam des Heren!" (Matt. 23:39b).

De bestemming voor het gelovig overblijfsel blijkt ook uit bijvoorbeeld hoofdstuk 16 en het slot van dit evangelie waar we de opdracht vinden de volken (Grieks: ethnee, in het Nieuwe Testament ook vertaald met 'heidenen') tot discipelen te maken. Het gebruik van 'heidenen' geeft meteen het onderscheid aan ten opzichte van degenen die de heidenen de boodschap moeten verkondigen (vgl. ook Matt. 10:5 en 6).

Structuur

A. 1:1-2:23 Wat er gebeurde vóór de bediening van de Here Jezus
B. 3:1-4 De voorloper (Johannes de Doper)
C. 3:5-17 De doop met water
D. 4:1-11 De verzoeking in de woestijn
E. 4:12-7:29 Het koninkrijk
F. 8:1-16:20 De Koning
F. 16:21-20:34 De Koning
E. 21:1-26:35 Het koninkrijk
D. 26:36-46 De strijd in de hof
C. 26:47-28:15 De doop in de dood (vgl. 20:22) (dood, begrafenis en opstanding)
B. 28:16-18 De opvolgers
A. 28:19 en 20 Wat er gebeurde na de bediening van de Here Jezus

Inhoud

De structuur van het Mattheüs evangelie laat zien dat de centrale boodschap van dit evangelie te maken heeft met het koninkrijk (de punten E, F, F en E), dat op aarde gevestigd zou worden. Het grootste gedeelte van dit evangelie wordt daardoor in beslag genomen. In hoofdstuk 4:17 staat: "Van toen aan begon Jezus te prediken en te zeggen: Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabijgekomen". Vervolgens lezen we het verslag van de Bergrede (hfdst. 5-7), 

In hoofdstuk 10 zendt de Here de twaalf apostelen uit met de woorden: "Gaat en predikt en zegt: Het koninkrijk der hemelen is nabijgekomen" (vs. 7).

Het bekende dertiende hoofdstuk bevat de acht gelijkenissen waarmee de Heer Zijn discipelen de "geheimenissen van het koninkrijk der hemelen" te kennen gaf (vs. 10 en 11). In Mattheüs 17 vinden we de verheerlijking op de berg, waar de Heer Zijn koninklijke heerlijkheid toont (vgl. ook 2 Pet. 1:16-18).

Ook aan het slot van het centrale gedeelte over het koninkrijk vinden we een bergrede, en wel in hoofdstuk 24, de rede der laatste dingen, uitgesproken door de Heer op van de Olijfberg (vs. 3). 'Bergen' zijn in de Bijbel symbolisch voor koninkrijken. De uitdrukking 'berg des HEREN' in de Bijbel heeft dan ook alles te maken met het koninkrijk van God.

De gehele boodschap van het koninkrijk, die eerst door de Heer werd verkondigd, werd kracht bijgezet door tekenen, wonderen en krachten (Hebr. 2:3 en 4).

Enkele kernteksten

"Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabijgekomen" (hfdst. 3:2) en

"En dit evangelie van het koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn" (hfdst. 24:14).

Het evangelie naar Marcus

De gezichtshoek van waaruit Marcus schrijft, beschrijft de Here vooral als de dienstknecht van God. Het Marcusevangelie is een kort, krachtig en goed te begrijpen evangelie. (Zie verder het voorgaande gedeelte over 'Het evangelie naar Mattheüs', onder 'Algemeen'.)

Schrijver en ontstaan

De schrijver heet Marcus. Deze (Latijnse) naam betekent: 'Beschaafd'; ook mogelijk: hamer. Marcus heeft zijn naam niet vermeld in het evangelie dat zijn naam draagt. Marcus behoorde niet tot de twaalf apostelen. In 1 Petrus 5:13 noemt Petrus hem "mijn zoon". Dit wijst erop dat Marcus door Petrus tot geloof was gekomen en daarom diens 'geestelijke' zoon was. Sommigen menen dat deze evangeliebeschrijving waarschijnlijk is opgetekend rond 63 na Christus. Mogelijk deed Marcus dat vanuit de mond van Petrus. 

Naast zijn Latijnse (bij)naam droeg hij ook een Hebreeuwse naam: Johannes. Voorzover we in de Schrift kunnen nagaan, heeft Marcus een veelbewogen leven gehad. Zoals gezegd was hij waarschijnlijk een geestelijke zoon van Petrus. We zien de naam Marcus dan ook voor het eerst vermeld in verband met Petrus (bij diens bevrijding uit de gevangenis, Hand. 12:12). Kolossenzen 4:10 noemt Marcus een neef van 'Barnabas'. Vanuit Jeruzalem gaat hij samen met Barnabas en Paulus (toen nog Saulus) mee naar Antiochië (Hand. 12:25) en daarna ook mee op de eerste zendingsreis van Paulus en Barnabas. Hij scheidde zich echter van deze twee apostelen af (Hand. 13:13). Dit zou later de reden zijn van een verbittering tussen Paulus en Barnabas, toen deze zijn neef opnieuw wilde meenemen (Hand. 15:38-39). Marcus ging naar Cyprus en blijkt enige tijd later dus in Babel te zijn (1 Petr. 5:13).

Nog weer later bevindt hij zich bij Paulus in Rome gedurende diens gevangenschap aldaar (Kol. 4:10 en Flm. 24). Ook in Paulus' laatste brief en tijdens zijn tweede gevangenschap in Rome schrijft Paulus over Marcus (2 Tim. 4:11) en is hij inmiddels een waardevolle medewerker van de apostel.

Marcus' leven laat eigenlijk een beeld zien van hoe het kan gaan met iemand die in de huidige genadetijd tot geloof komt. Al kom je niet direct door Paulus' boodschap tot geloof en kan er soms zelfs sprake zijn van enige verbittering ten opzichte van de bediening van deze apostel, uiteindelijk kom je toch - in de overdrachtelijke zin van het woord - bij hem in de gevangenschap terecht. Namelijk: bij de erkentenis van de waarheid voor de huidige tijd (aangaande het geheimenis van Christus, zoals dat in Paulus' gevangenschap bekendgemaakt is).

Doel en bestemming

Het Marcusevangelie lijkt de nadruk te leggen op de Here Jezus Christus als de door God aangestelde Knecht, de Knecht des HEREN. Hij wordt in dit evangelie slechts enkele keren aangesproken met Heer: hoofdstuk 7:28 en 9:24 (alleen Statenvertaling). In de andere evangeliën gebeurt dit veel vaker. Marcus beschrijft de daden en woorden van deze Knecht slechts kort; hij laat een geslachtsregister zelfs geheel buiten beschouwing.

Evenals dat bij het Mattheüs evangelie het geval is met betrekking tot het koningschap, geldt ook hier dat de Heiland in de eerste plaats voor Zijn volk kwam als de lijdende Knecht des HEREN. Daarom beschrijft ook dit evangelie de boodschap aangaande de Zoon van God in de eerste plaats voor Zijn volk Israël. Tegelijk ontdekken we in dit evangelie weinig aanhalingen uit het Oude Testament. Voorzover de lezers uit Israël voortkwamen, waren zij naar het lijkt niet goed bekend met de 'Schriften'.

Structuur

A. 1:1-8 De voorloper (Johannes de Doper)
B. 1:9-11 De doop met water
C. 1:12 en 13 De verzoeking in de woestijn

D. 1:14-20 Het koninkrijk
E. 1:21-8:30 De Koning

Aangekondigd

De viervoudige

bediening van de Heer

E. 8:31-10:52 De Koning
D. 11:1-14:25 Het koninkrijk

Verworpen

C. 14:26-42 De strijd in de hof
B. 14:43-16:14 De doop in de dood (dood, begrafenis en opstanding)
A. 16:15-20 De opvolgers

Het blijkt dat elk evangelie de aankondiging en verwerping van de Koning en Zijn koninkrijk als centraal thema heeft. Tegelijk beschrijft elk evangelie de Heer vanuit een bepaald perspectief. We zien de Heiland beschreven.

als Koning (beschreven door Mattheüs), Knecht (Marcus), Mens (Lucas) en God (Johannes).1

Inhoud

Evenals in de andere Evangeliën, staat het koninkrijk (de punten D, E, E en D), dat op aarde gevestigd zou worden, centraal en wordt daar ruime aandacht aan besteed. Dit begint met hoofdstuk 1:15, waar staat: "De tijd is vervuld en het koninkrijk Gods is nabijgekomen. Bekeert u en gelooft het evangelie" en wordt afgesloten met "Voorwaar, Ik zeg u, Ik zal voorzeker niet meer van de vrucht van de wijnstok drinken, tot op die dag, dat Ik haar nieuw zal drinken, in het koninkrijk Gods" (hfdst. 14:25).

Enkele kernteksten

"De tijd is vervuld en het koninkrijk Gods is nabijgekomen. Bekeert u en gelooft het evangelie" (hfdst. 1:15) en

"... wie onder u de eerste wil zijn, zal aller slaaf zijn. Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen om Zich te laten dienen, maar om te dienen en Zijn leven te geven als losprijs voor velen" (hfdst. 10:44b en 45). 

Het evangelie naar Lucas 

Algemeen

Het Lucasevangelie is een uitgebreid verslag van wat er gebeurd is aangaande de komst van Christus in deze wereld. De schrijver heeft alles eerst op nauwkeurige wijze nagegaan en daarna zijn bevindingen "in geregelde orde" te boek gesteld (hfdst. 1:3). Dit evangelie vormt samen met het boek Handelingen een tweeluik; een afgerond historisch verslag van de komst van de Koning van Israël tot en met de uiteindelijke verwerping van de Koning en Zijn koninkrijk door Israël. Dit verslag geeft een duidelijk beeld van hoe het zover heeft kunnen komen dat de Heer Zijn verborgen plan met betrekking tot het lichaam van Christus heeft geopenbaard.

Schrijver en ontstaan

Hoewel zijn naam in dit evangelie niet voorkomt, is algemeen aanvaard dat Lucas de schrijver is. Zijn (Latijnse) naam betekent: 'Licht' of 'lichtgevend' en komt in de Bijbel slechts driemaal voor: Colossenzen 4:14; 2 Timotheüs 4:11 en Filemon 24.

Uit de eerste tekst blijkt dat Lucas "geneesheer" was; een ontwikkeld man, wat ook blijkt uit het feit dat hij zowel het evangelie als het boek Handelingen richt aan Theofilus, die in Lucas 1:3 "hoogedele Theofilus" genoemd wordt. Dit hoogedele is de vertaling van het Griekse kratiste (van kratistos). Deze aanspreektitel wordt verder voor de stadhouders Felix en Festus gebruikt (Hand. 23:26 en 26:25). Dit zegt iets over de 'kringen' waarin Lucas zich bevond.

Filemon 24 vermeldt dat Lucas een "medearbeider" van Paulus was. Kolossenzen en Filemon zijn vanuit Paulus' gevangenschap (vermeld in Handelingen 28:16 en 30) geschreven. Nadat de apostel weer vrij was, werd hij na enkele jaren opnieuw in Rome gevangengezet. Toen schreef hij de 2e Timotheüsbrief en daar wordt Lucas wederom genoemd als metgezel van Paulus (hfdst. 4:11). Deze vermelding wijst ook op de trouw van Lucas; Paulus schrijft: "Alleen Lucas is nog bij mij". Dat Handelingen vanaf hoofdstuk 16:10 voornamelijk in de 'wij-vorm' geschreven is, laat zien dat Lucas gedurende lange tijd met Paulus optrok.

Uit het geheel van Kolossenzen 4:10-14 blijkt verder dat Lucas geen gelovige was uit het Joodse volk, omdat Aristarchus, Marcus en Jezus genaamd Justus daar "de enigen uit de besnedenen, die mijn medewerkers zijn voor het koninkrijk Gods" (vs. 11) genoemd worden.

Doel en bestemming

Het ligt min of meer voor de hand dat de Heilige Geest juist de geneesheer Lucas gebruikt heeft om de Heiland te beschrijven als de 'Zoon des mensen'. Let wel dat de uitdrukking niet luidt: 'Zoon der mensen' (met 'mens' in het meervoud), maar: 'Zoon des mensen'; dat wil zeggen: Zoon van demens. Dit bepaalt ons bij Adam, wat 'mens' betekent. Christus is de Zoon des mensen, oftewel: de Zoon van Adam. Zie ook het geslachtsregister in Lucas 3:23-38, dat helemaal teruggaat tot op Adam! In de Bijbel is 'zoon' de aanduiding van een erfgenaam. Christus is de erfgenaam van Adam. De opdracht die de eerste mens kreeg, namelijk om de aarde te onderwerpen, zal de tweede mens (dat is de opgestane Heer) volbrengen. Behalve dat Hij "de tweede mens" (dat is Hij in Zijn opstanding) genoemd wordt (1 Kor. 15:47), is Hij ook de "laatste mens" (1 Kor. 15:45). Toen Hij als mens op aarde was, werd in Zijn sterven het menselijk geslacht van de eerste mens afgesloten. Daarom lezen we ook: "Dus zijn zij allen gestorven" (2 Kor. 5:15).

Dat Lucas aan Theofilus schreef, wil natuurlijk niet zeggen dat een ander verder niets te zoeken heeft in zijn geschriften. Dit komt mooi tot uitdrukking in de naam 'Theofilus'. De betekenis daarvan is: 'Liefhebber / vriend van God'. Juist vanwege zijn afkomst en zijn nauwe vriendschap met Paulus, hebben de geschriften van Lucas ons in deze tijd veel te zeggen.

Structuur

A. 1:1-2:52 Wat er gebeurde vóór de bediening van de Heere Jezus (de neder daling)
B. 3:1-20 De voorloper (Johannes de Doper)
C. 3:21-38 De doop met water
D. 4:1-14a De verzoeking in de woestijn 

E. 4:14b-5:11 Het koninkrijk
F. 5:12-9:21 De Koning

Aangekondigd

De viervoudige

bediening van de Heer

F. 9:22-18:43 De Koning
E. 19:1-22:38 Het koninkrijk

Verworpen

D. 22:39-46 De strijd in de hof
C. 22:47-24:12 De doop in de dood (dood, begrafenis en opstanding)
B. 24:13-49 De opvolgers
A. 24:50-53 Wat er gebeurde na de bediening van de Here Jezus (de hemelvaart)

Inhoud

Ook van dit evangelie betreft de kernboodschap het koninkrijk. Dit begint met hoofdstuk 4:14b e.v. met de volmacht die de Heer vanuit het boek Jesaja naar voren brengt. In hoofdstuk 22:38 vinden we de afsluiting van deze boodschap in de viering van de maaltijd.

Enkele kernteksten

"... opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen macht heeft op aarde zonden te vergeven ..." (hfdst. 5:24) en

"... de Zoon des mensen moest overgeleverd worden in de handen van zondige mensen en gekruisigd worden en ten derden dage opstaan" (hfdst. 24:7).

Het evangelie naar Johannes

Algemeen

Wat opbouw betreft, verschilt het Johannesevangelie van de overige evangeliën. Dit komt vooral door het speciale karakter van Johannes' beschrijving, waarbij de nadruk veel meer ligt op het Goddelijke van de Here Jezus Christus, dan op het menselijke (zie verder onder 'Doel en bestemming').

Schrijver en ontstaan

We vinden in dit evangelie de naam van de schrijver niet terug. Zelfs de naam Johannes komen we in dit bijbelboek niet tegen als aanduiding voor deze discipel/apostel. Wel gaat het over andere personen die de naam Johannes dragen, zoals Johannes de Doper en Johannes, de vader van Simon Petrus. Zo zien we dat Johannes zich als schrijver geheel op de achtergrond houdt, daarmee Degene over Wie hij schrijft juist veel meer de eer gevend.

Wat wel voorkomt, is een omschrijving waarmee hij zichzelf aanduidt: "de discipel dien Jezus liefhad" (Joh. 13:23; 20:2; 21:7 en 20). Let wel, dat het hierbij gaat om het feit dat Jezus hem liefhad; vandaar dit woordje dien

Naast dit evangelie heeft Johannes nog de drie Johannes-brieven en het boek Openbaring geschreven. Alleen in dit laatste bijbelboek noemt hij zijn naam: "Openbaring van Jezus Christus, welke God Hem gegeven heeft om Zijn dienstknechten te tonen hetgeen weldra moet geschieden, en welke Hij door de zending van Zijn engel aan Zijn dienstknecht Johannes heeft te kennen gegeven" (Openb. 1:1).

De naam Johannes is de Griekse vorm van het Hebreeuwse Jochanan, wat 'De HERE is genadig' betekent.

Over het algemeen wordt aangenomen dat Johannes zijn evangelie schreef tegen het einde van de eerste eeuw. Hoewel anderen menen dat het juist wat eerder geschreven is. 

Doel en bestemming

We zouden Johannes 2:11 kunnen nemen als korte omschrijving van het doel en de bestemming van dit evangelie: "... Hij heeft Zijn heerlijkheid geopenbaard, en Zijn discipelen geloofden in Hem". Dit sluit ook aan bij hoofdstuk 1:14: "Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de Eerstgeborene des Vaders, vol van genade en waarheid".

Hoewel dit evangelie een universeel karakter heeft, moeten we - gezien dat wat in Galaten 2:9 over het apostelschap van Johannes gezegd wordt - toch aannemen dat zijn boodschap zich in de eerste plaats richtte op de besnedenen. Met name de door de Here verrichte tekenen (zie onder 'Inhoud') wijzen daar overigens ook op. De tekenen waren bestemd om Zijn heerlijkheid te openbaren. Hét moment waarop de heerlijkheid des HEREN in het bijzonder wordt geopenbaard, is Zijn wederkomst, wanneer Zijn heerlijkheid te midden van Zijn volk verschijnt.

Tegelijk mogen we constateren dat dit evangelie een brede kring van mensen aanspreekt. Aan de houding en staat waarin Israël zich bevindt en die juist in de tekenen geïllustreerd worden, ligt de zonde ten grondslag. En dat is immers niet alleen het probleem van Israël, maar van de gehele mensheid.

Dat vooral de Godheid van Christus centraal staat, blijkt meteen al aan het begin; door die plechtige woorden: "In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God", etc. Hier geen geslachtsregister dat bestaat uit een opsomming van menselijke voorouders, maar meteen terug naar het begin.

Verder zijn de bekende 'Ik ben'- uitspraken karakteristiek voor dit evangelie. Telkens klinkt in deze uitspraken de Naam van God (JHWH, Ik ben, Die Ik ben) door.

Structuur

A. 1:1-28 De voorloper (Johannes de Doper)
B. 1:29-34 De doop met water

C. 1:35-4:54 Het koninkrijk
D. 5:1-6:71 De Koning

Aangekondigd

De viervoudige

bediening van de Heer

D. 7:1-11:54a De Koning
C. 11:54b-18:1 Het koninkrijk

Verworpen

B. 18:2-20:31 De doop in de dood (dood, begrafenis en opstanding)
A. 21:1-25 De opvolgers

Inhoud

De inhoud van het Johannesevangelie, waarin toch ook weer de boodschap aangaande het koninkrijk en de verwerping daarvan naar voren komt, is in grote lijnen opgebouwd aan de hand van de acht tekenen die erin genoemd worden.

Deze tekenen zijn als volgt opgebouwd:1

A. 2:1-11 De bruiloft te Kana
B. 4:46-54 De zoon van de hoveling
C. 5:1-18 De man die niet kon lopen
D. 6:1-15 De spijziging van de vijfduizend
D. 6:16-21 Jezus gaande over het meer
C. 9:1-41 De man die niet kon zien
B. 11:1-44 De broer van de zusters
A. 21:1-14 De vangst van de vissen

Kerntekst

"Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de Eerstgeborene des Vaders, vol van genade en waarheid" (hfdst. 1:14).

Handelingen

Algemeen

Handelingen is een geschiedenisboek. Het is het tweede deel van de beschrijving van de periode die begint met de komst van de Here Jezus in deze wereld en eindigt met de gevangenschap van Paulus in Rome. Het eerste deel van deze beschrijving vinden we in het Evangelie van Lucas. Handelingen neemt een sleutelpositie in het Nieuwe Testament in. Wie het goed leert begrijpen, krijgt daarmee zicht op bijzondere facetten van Gods Heilsplan.

Schrijver en ontstaan

Evenals in het Lucasevangelie vinden we ook in Handelingen de naam van de schrijver niet terug. Zie hiervoor het gedeelte over 'Het evangelie naar Lucas'.

Wat wel duidelijk is, is de aansluiting die het verslag van Handelingen zoekt op het verslag in het Lucasevangelie. Sluit Lucas 24 af met de hemelvaart van de Here Jezus, Handelingen 1 begint daarmee. Lucas 24 en Handelingen 1 kunnen als het ware over elkaar gelegd worden, waarmee we één complete geschiedschrijving krijgen. 

Met ingang van Handelingen 16:10 is Handelingen voornamelijk in de 'wij-vorm' geschreven, waaraan we zien dat Lucas vanaf dat moment voornamelijk met Paulus optrok. De beschrijving vanaf dat moment doet denken aan een reisverslag. In ieder geval wordt ervan uitgegaan dat het boek afgerond werd zo rond het jaar 63 / 64 na Christus. 

Doel en bestemming

Het doel van Handelingen is overduidelijk een verslag te geven van de historische gebeurtenissen na de hemelvaart van Christus. Tijdens dit boek is een groot aantal van de Nieuwtestamentische brieven geschreven, die daardoor niet als op zichzelf staand kunnen worden opgevat, maar vooral begrepen moeten worden tegen de achtergrond van de geschiedenis in het boek Handelingen!

Daar komt nog bij dat voorzover we geschiedschrijving tegenkomen in de Bijbel dit op de een of andere wijze altijd in verband staat met het volk Israël! Dat geldt dus voor de Evangeliën waar overwegend geschiedenis geschreven wordt, dat geldt voor Handelingen en dat geldt eigenlijk ook voor het boek waarin we geschiedenis beschreven vinden, die nog gebeuren moet: het boek Openbaring.

Sommige uitleggers hebben zich erover verbaasd dat Handelingen zo 'abrupt' eindigt. Wel, dat komt omdat Israëls geschiedenis daar (voorlopig) ophoudt. Vanaf Handelingen 28 zijn er wat de heilspositie betreft alleen nog maar heidenen en is Israël (feitelijk waren dit alleen nog maar de twee stammen Juda en Benjamin, het oude twee-stammenrijk) teruggezet in de rij der volkeren, waar het vóór de verbondsluiting in Exodus 19 uit genomen was. Voor zover het profetische woord betrekking heeft op de toekomst, is dat niets anders dan geschiedschrijving van geschiedenis die nog gebeuren moet. En aangezien geschiedschrijving altijd in relatie staat tot Israël, staat ook het profetische woord in relatie tot Israël; en gaat ook Openbaring over Israël!

Het profetische plan heeft betrekking op het zichtbare handelen van God met Israël en de heidenen (in die volgorde); het verborgen plan heeft betrekking op het onzichtbare handelen van God met het lichaam van Christus, dat genomen wordt uit de heidenen, ofwel: alle mensen.

Wie deze grondregels binnen Gods Woord vasthoudt, ontdekt onmiddellijk dat Handelingen nog niets zegt over het lichaam van Christus, maar toewerkt naar de nog toekomstige geschiedenis van het boek Openbaring. Je zou kunnen zeggen: zoals Handelingen aansluit op het Lucasevangelie, zo sluit Openbaring aan op Handelingen.

Structuur

A. 1:1-3 Inleiding.
B. 1:4-2:13 Jeruzalem. Zending door de Heilige Geest. Toerusting van de twaalven.
C. 2:14-8:1a De bediening van Petrus (en anderen) tot het volk in Jeruzalem en het land Israël.
D. 8:1b-11:30 De bediening van Petrus (en anderen) in het land Israël.
E. 12:1-23 Jeruzalem. Petrus gevangengenomen. Verblijf in Ceasarea en afsluiting van zijn bediening.
B. 12:24-13:3 Antiochië. Zending door de Heilige Geest. Toerusting van Paulus en Barnabas.
C. 13:4-14:28 De bediening van Paulus (en anderen) tot het volk in de verstrooiing; los van de Jeruzalem en de twaalven.
D. 15:1-19:20 De bediening van Paulus in verband met de twaalven.
E. 19:21-28:29 Efeze en Jeruzalem. Paulus gevangengenomen. Verblijf in Rome en afsluiting van zijn bediening.
A. 28:30 en 31 Afsluiting. 

Inhoud

De inhoud van Handelingen wordt samengevat in de profetische woorden van de Here Jezus in hoofdstuk 1:8. Hier spreekt Hij in de toekomende (niet: gebiedende!) tijd: "... maar gij zult kracht ontvangen, wanneer de heilige Geest over u komt, en gij zult Mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria en tot het uiterste der aarde". De Heiland antwoordt met deze woorden op de vraag of het koninkrijk in die tijd opgericht zou worden (vs. 6). Inderdaad zien we dat het getuigenis in die drie fasen werd uitgedragen: 

Jeruzalem              hoofdstuk 1-7

Judea en Samaria    hoofdstuk 8-12

uiterste der aarde    hoofdstuk 13-28

Bovendien geeft Handelingen 1:11 aan wat de hoop in die tijd was, namelijk: de (zichtbare) wederkomst van de Here Jezus op de Olijfberg. Dat is dan ook de toekomstverwachting waarvan de brieven uit de Handelingentijd spreken (zie bijv. 1 Kor. 1:7 en 2 Tess. 1:7).

En zo blijkt dat wanneer - naar de mens gesproken - het verborgen plan van God niet zou zijn begonnen, Handelingen naadloos voorafgaat aan het boek Openbaring waarin Christus' openbaring centraal staat.

Daarbij is de uitstorting van heilige Geest in Handelingen 2 niets anders dan het begin van het nieuwe verbond tussen God en Zijn volk.

Kerntekst

"Heere, zult Gij in dezen tijd aan Israël het koninkrijk weder oprichten?" (hfdst. 1:6, Statenvertaling).

De brief aan de Romeinen

Algemeen

Het Nieuwe Testament bestaat voor een groot gedeelte uit brieven: eenentwintig stuks. Tellen we de zeven zendbrieven uit Openbaring er nog bij, dan zijn dat er zelfs achtentwintig. De meeste brieven zijn geschreven door Paulus. Wanneer we de Hebreeënbrief meetellen, komen we op een totaal van veertien door hem geschreven brieven, die, wat het ontstaan betreft, verdeeld zijn in twee groepen van zeven. De eerste groep stamt uit de eerste fase van zijn bediening (gedurende Handelingen), de tweede groep uit het laatste deel van zijn bediening (met ingang van de gevangenschap in Rome, zie Hand. 28:16 en 30). Helaas is de oorspronkelijke volgorde van schrijven niet in de Bijbel terug te vinden. In plaats daarvan is de lengte van de brief genomen als maatstaf voor de volgorde in plaats van het tijdstip van ontstaan: de langste brief staat vooraan (Romeinen) en de kortste achteraan (Filemon). Omdat in de Hebreeënbrief niet staat dat die van Paulus is, staat die achteraan.

Schrijver en ontstaan

In het openingsvers staat dat Paulus de schrijver is; hij is "een dienstknecht van Christus Jezus, een geroepen apostel". Het is de laatste brief van de eerste reeks van zeven brieven die hij schreef; de laatste brief dus uit het in Handelingen beschreven deel van zijn bediening.

De brief werd rond het voorjaar 58 geschreven en verzonden vanuit Korinthe.

Doel en bestemming

Paulus schreef deze brief aan gelovigen die hij nog nooit in Rome bezocht had. Hij sprak al eerder over zijn verlangen om naar Rome te gaan (Hand. 19:21; zie ook Rom. 1:15). Een verlangen dat blijkbaar van de Here afkomstig was (zie Hand. 23:11). In Romeinen 15 schrijft Paulus dat hij, vóór hij de Romeinen bezoekt eerst nog naar Jeruzalem gaat om daar een gave te brengen voor de gelovigen aldaar (vs. 25-29). Hij voorziet dan al moeilijkheden blijkens vers 31: "... opdat ik behoed worde voor de weerspannigen in Judea ...". In Handelingen lezen we hoe hij, eenmaal aangekomen in Jeruzalem, al snel gevangengenomen wordt. En als gevangene komt hij in Rome (Hand. 28:14 en 16). Gods wegen blijken altijd weer anders te gaan dan wij verwachten! 

De brief is in de eerste plaats aan heidenen (= niet-Joden) geschreven (hfdst. 1:5, 6 en 13 en 11:17). Toch blijkt dat Paulus zich ook tot Joden richt: hoofdstuk 2:17, 24, 28 en 29; en spreekt hij vanuit zijn eigen Jood-zijn (hfdst. 3:9 "ons"; zie ook hfdst. 4:1, "Abraham, onze voorvader naar het vlees") of vergelijk hoofdstuk 3:30 met 5:1, waar het achtereenvolgens gaat over besnedenen en "Wij dan". In Romeinen 7:1 e.v., waar het gaat over het oude en nieuwe verbond schrijft hij ook aan Joodse gelovigen. 

Structuur 

A. 1:1-15 Inleiding. Gehoorzaamheid des geloofs onder heidenen.

B. 1:16-8:39 Leerstellig
a. 1:16 en 17 Algemene uitleg over de rechtvaardiging door geloof.
b. 1:18-32 Heiden.
c. 2:1-29 Jood.
b. 3:1-31 De gehele wereld.
a. 4:1-5:11 Nadere uitleg over de rechtvaardiging door geloof.
d. 5:12-21 Adam en Christus.
e. 6:1-14 Zonde of genade.
f. 6:15-7:6 Ontvang de genade Gods niet tevergeefs.
g. 7:7-26 Wet en zonde.
h. 8:1-17 Leven door de Geest.
i. 8:18-30 Leven in hoop.
j. 8:31-39 Leven in zekerheid. 

C. 9-11 Dispensationeel
a. 9:1-29 Een uitverkoren overblijfsel.
b. 9:30-33 De profeten.
c. 10:1-13 De wet.
b. 10:14-21 Het evangelie.
a. 11:1-36 Een uitverkoren overblijfsel; gans Israël.

D. 12-16:24 Praktisch

a. 12:1-21 Relatie tot God en leden van het lichaam.
b. 13:1-14 Relatie tot de overheid en medemensen.
c. 14:1-15:7 Relatie tussen Joodse en heidense leden.
b. 15:8-33 Relatie tussen Joodse en heidense gelovigen.
a. 16:1-24 Relatie tot individuele dienstknechten.

A. 16:25-27 Afronding. Gehoorzaamheid des geloofs onder heidenen.

Inhoud

De Romeinenbrief is vooral leerstellig. Hij zet duidelijk uiteen wat de positie van de mens 'van nature' ten opzichte van God is; hoe hij door genade gerechtvaardigd kan worden; voortaan mag leven in een positie waarin hij gerechtvaardigd is en hoop heeft op de dingen die komen gaan (hfdst. 1-8). Zo voorziet deze brief de gelovige van een stevig fundament onder zijn geloofsleven.

Verder geeft de apostel zicht op het handelen van God met Israël en de heidenen in de hoofdstukken 9-11 en geeft hij met ingang van hoofdstuk 12 praktische aanwijzingen voor de levenswandel, waarbij hij uitgaat van het leven onder het nieuwe verbond.

Kerntekst

"Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods, en worden om niet gerechtvaardigd uit Zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus" (hfdst. 3:23 en 24).

De eerste brief aan de Korintiërs 

Algemeen

Beide Korinthebrieven zijn door Paulus geschreven 'vanuit de verdediging'. De gelovige Korintiërs wantrouwden de apostel, waardoor hij zijn apostelschap als het ware moest onderbouwen (zie bijvoorbeeld hfdst. 9:1). Dit had veel te maken met de partijschappen die er onder hen waren. Hierdoor kwamen zij niet toe aan geestelijke groei. In 1 Korintiërs 3:1 schrijft Paulus dan ook: "En ik, broeders, kon niet tot u spreken als tot geestelijke mensen, maar slechts als tot vleselijke, nog onmondigen in Christus". Hoofdstuk 15 begint hij daarom nog eens met een uitleg van de basis van het evangelie. Uit het verloop van dat hoofdstuk blijkt zelfs dat er onder hen waren die niet eens meer in de opstanding der doden geloofden!

Schrijver en ontstaan

Paulus schrijft de brief samen met Sostenes (hfdst. 1:1), die overste van de synagoge te Korinthe was (Hand. 18:17). 

Door allerlei gegevens met elkaar te vergelijken, ligt het voor de hand dat Paulus deze brief in Efeze schreef, toen hij daar een "tijd lang" (Hand. 19:1 en 22 e.v.) verbleef, na zijn eerste bezoek aan Korinthe in Handelingen 18:1 e.v. In 1 Korintiërs 2:3-5; 3:6 en 4:15 verwijst hij naar dit eerste bezoek. Ook Apollos was een bekende in Korinthe (hfdst. 1:12; 3:4 en 16:12), wat maakt dat de brief geschreven moet zijn na Handelingen 18:27 en 19:1. Met 1 Korintiërs 3:6 laat Paulus zien wat we ook in Handelingen terugvinden: Eerst was hij er, en vervolgens Apollos.

Paulus had Apollos ontmoet (hfdst. 4:6) en wel tussen zijn eerste en tweede bezoek aan Korinthe (1 Kor. 16:12). In 1 Korintiërs 16:1 worden de gemeenten te Galatië genoemd, die Paulus (voor de tweede maal) bezocht na zijn eerste bezoek in Korinthe tijdens zijn derde reis (Hand. 18:23), waarna hij in Efeze aan komt (Hand. 19:1; vgl. ook 1 Kor. 16:8 en 19). 

Prisca en Aquila bevinden zich te Efeze (1 Kor. 16:19), wat ons erbij bepaalt dat Paulus deze brief schreef vóór de Romeinenbrief; want uit Romeinen 16:3 blijkt dat dit echtpaar weer (zie Hand. 18:2) in Rome was.

Verder zien we dat Paulus Timotheüs gezonden had (1 Kor. 4:17 en 16:10), wat ons brengt op het tijdstip van Handelingen 19:22 waar hij Timotheüs en Erastus naar Macedonië stuurt, terwijl hij zelf nog een tijdlang in Asia blijft ("tot Pinksteren", 1 Kor. 16:8). Volgens Handelingen 20:4 is Timotheüs op dat moment blijkbaar aanwezig in Griekenland. Ook 1 Korintiërs 16:5 stemt hier overeen met Handelingen 19:21.

De brief werd rond het voorjaar van 57 geschreven. 

Doel en bestemming

De gemeente te Korinthe was ontstaan vanuit de synagoge. In Handelingen 18:1 staat dat Paulus te Korinthe komt. Vers 4 vermeldt dan: "En hij hield elke sabbat besprekingen in de synagoge en trachtte Joden en Grieken te overtuigen". Verschillende Joden kwamen daar tot geloof. Na verloop van tijd was Paulus genoodzaakt de synagoge te verlaten (vs. 5-8). Anderhalf jaar lang woonde Paulus te Korinthe (vs. 11). Al met al een behoorlijk lange periode, waarin hij behalve aan Joden (nakomelingen uit het twee-stammenrijk) ook tot niet-Joden predikte. Natuurlijk zullen zich onder deze niet-Joden heidenen hebben bevonden die van origine zelfs niet tot één van de twaalf stammen Israëls behoorden. Toch zullen er ook heidenen zijn geweest die afstamden van één van de tien stammen. Als Paulus het in 1 Korintiërs 10:1 e.v. bijvoorbeeld heeft over 'onze vaderen' en vervolgens over 'allen', dan is duidelijk dat hij daarmee verwijst naar het gehele volk van Israël.

Hij omschrijft de geadresseerden als "de gemeente Gods te Korinthe, aan de geheiligden in Christus Jezus, de geroepen heiligen met allen, die allerwege de naam van onze Here Jezus Christus aanroepen, hun en onze (Here)" (hfdst. 1:2).

Structuur

A. 1:1-9 Inleiding.

B. 1:10-4:16 Paulus berispt vanuit zijn bediening de gemeente en legt dingen uit.
C. 4:17 De zending van Timotheüs.
D. 4:18-21 Het bezoek van Paulus.
E. 5:1-6:20 De dingen die Paulus ter ore gekomen zijn.
E. 7:1-8:13Dingen die Paulus geschreven zijn.
B. 9:1-15:58 Paulus berispt vanuit zijn bediening de gemeente en legt dingen uit.
D. 16:1-9 Het bezoek van Paulus.
C. 16:10-18 De zending van Timotheüs.
A. 16:19-24 Afsluiting.

Inhoud

De inhoud van deze brief is moeilijk in enkele woorden samen te vatten. In grote lijnen komt het erop neer dat er grote verdeeldheid was in de gemeente te Korinthe. Door ongeloof aan de opstanding, door niet te accepteren dat Paulus een apostel was, door leiders teveel na te lopen, door onzedelijke zaken, door misbruiken bij het avondmaal, door een verkeerd gebruik van de genadegaven, etc., etc. Daarom hebben we voor onderstaande kerntekst gekozen.

Kerntekst

"... weest allen eenstemmig en laten er geen scheuringen onder u zijn; weest vast aaneengesloten, één van zin en één van gevoelen" (hfdst. 1:10).

De tweede brief aan de Korintiërs 

Algemeen

Wat in het voorgaande gedeelte staat met betrekking tot de algemene informatie over de eerste Korinthebrief geldt ook voor de tweede.

De gelovigen te Korinthe, de hoofdstad van de Romeinse provincie Achaje, woonden in een belangrijke haven- en handelsstad. Hierdoor werd de cultuur ter plaatse mede beïnvloed door invloeden van buitenaf. De Korintiërs hielden zich behalve met werelds vermaak ook bezig met de aanbidding van allerlei goden.

Schrijver en ontstaan

Waar Paulus de eerste Korintehbrief schreef met Sostenes, schreef hij deze tweede brief met "Timotheüs, de broeder" (hfdst. 1:1).

We weten vanuit Handelingen dat Paulus de stad Korinthe ook zelf bezocht had (Hand. 18:1-17). Tegelijk schrijft hij in deze tweede brief over een tweede bezoek aan zijn lezers (hfdst. 1:15 en 16), terwijl hij in hoofdstuk 12:14 zegt: "Zie, het is nu reeds de derde maal, dat ik gereed sta tot u te komen ...". Ook in hoofdstuk 13:1 en 2 lezen we over een derde maal: "... de derde maal dat ik tot u kom (...) toen ik de tweede maal bij u was".

Het lijkt - zo op het eerste gezicht - tegenstrijdig, maar waarschijnlijk moeten we dit alles zo zien: Paulus ging vanuit Efeze, voor een kort bezoek richting Korinthe, maar kwam niet in Korinthe zelf aan, maar wel in Achaje. (Hij schrijft deze brief immers tot de gemeente Gods, te Korinthe en al de heiligen in geheel Achaje). Dat was Paulus' voornemen (zie 2 Kor. 1:16, waar hij een tweede bezoek aan Korinthe, "uw stad" in de zin heeft). 2 Korintiërs 1:23 zegt echter dat hij niet meer te Korinthe is geweest; hoofdstuk 13:1 en 2 spreekt echter wél over een "tweede maal". Hier moeten we dus aannemen dat hij wel in Achaje geweest is, maar niet te Korinthe. De woorden "bij u" uit 2 Korintiërs 13:2 slaan dan op heiligen in Achaje, maar niet op de gelovigen te Korinthe. Na dit korte bezoek (waar we dus nergens rechtstreeks over lezen) komt hij (waarschijnlijk na nog een tijd in Efeze te zijn geweest) in Troas aan (hfdst. 2:12), waar hij (blijkbaar volgens afspraak) Titus hoopte te zien. Als Titus daar niet is, gaat hij door naar Macedonië (hfdst. 2:13). Daar in Macedonië ontmoeten ze elkaar weer (hfdst. 7:5 en 6). Titus heeft inmiddels goede berichten (hfdst. 7:5-16).

Zo kan Paulus dus zeggen in 2 Korintiërs 12:14 en 13:1 en 2 dat hij voor de derde maal gereed staat om naar hen toe te gaan, waarvan hij de eerste maal in Korinthe zelf was (Hand. 18:1) de tweede maal in Achaje (het gebied waarin Korinthe ligt) en de derde maal opnieuw in Korinthe is voor een periode van drie maanden (Hand. 20:2 en 3, "Griekenland"). Hij schrijft deze brief dan dus vanuit Macedonië; waarschijnlijk was dit in het najaar van 57. 

Structuur

A. 1:1, 2 Inleiding.
B. 1:3-11 Dankzegging.
C. 1:12 Het karakter van Paulus' bediening.
D. 1: 13 en 14 Deze brief.
E. 1:15 en 16 Paulus' voorgenomen bezoek.
F. 1:17-2:2 Verdediging van zijn handelen.
G. 2:3-11 Eerdere brief. Bedoeling.
H. 2:12 en 13a Geen rust voor zijn geest.
I. 2:13b Op reis naar Macedonië.
B. 2:14-17 Dankzegging.
C. 3:1-7:4 Het karakter van Paulus' bediening.
H. 7:5-7 Geen rust naar het vlees.
G. 7:8-16 Eerder brief. Uitwerking.
I. 8:1-9:15 Gemeenten te Macedonië.
F. 10:1-12:13 Verdediging van zijn handelen.
E. 12:14-13:1 Paulus' voorgenomen bezoek.
D. 13:2-10 Deze brief.
A. 13:11-14 Afsluiting. 

Doel en inhoud

Opnieuw schrijft Paulus over zijn bediening en de gezindheid waarin hij die uitvoert, zij het dat één en ander in een wat mildere toon gesteld is. Wellicht kwam dit doordat de Korintiërs zijn vermaningen in de eerste brief enigszins ter harte genomen hadden.

Met name in de eerste hoofdstukken schrijft hij over zijn taak en bediening (hfdst. 2:16b, "taak"; 3:8, "bediening des Geestes"; 4:1, "deze bediening" en 5:18, "bediening der verzoening"). Met name uit hoofdstuk 3 komt duidelijk naar voren dat deze bediening alles te maken had met het nieuwe verbond (dat des Geestes), dat met de uitstorting van de geest (Hand. 2) was begonnen. Ook aan het einde van 2 Korintiërs 6 vinden we nog een verwijzing naar Jeremia 31, het hoofdstuk waarin de sluiting van het nieuwe verbond voorzegd wordt (vs. 31-33). Het nieuwe verbond is een verbond tussen Man (de HERE) en vrouw (Israël). Daarom schrijft Paulus later in deze brief: "... ik heb u verbonden aan één man, om u als een reine maagd voor Christus te stellen" (hfdst. 11:2).

In hoofdstuk 10-12 vinden we nog uitgebreide gegevens over de gezindheid van Paulus en de omstandigheden en tegenstand waarin hij z'n taak moest uitvoeren. Met name het elfde hoofdstuk (vs. 21-28) beschrijft wat de apostel allemaal moest doormaken. Zaken die hem naast zijn "doorn in het vlees" zwak maakten. De kerntekst die hierna volgt, geeft echter aan hoe Paulus dit alles kon volhouden; deze woorden mogen ook voor ons een bemoediging zijn!

Kerntekst

"En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg, want de kracht openbaart zich eerst ten volle in zwakheid" (hfdst. 12:9).

De brief aan de Galaten

Algemeen

De brief aan de Galaten kunnen we zien als een soort 'kleine Romeinenbrief'. Dat wil zeggen: Veel van wat Paulus later in de Romeinenbrief schrijft, vinden we in beginsel al terug in de Galatenbrief. Daarbij denken we vooral aan het verschil tussen het leven uit de Geest en het leven uit het vlees. Onder dit laatste brengt Paulus ook de pogingen van mensen om door werken der wet gerechtvaardigd te worden. 'Dat komt uit het vlees voort en gaat dus in tegen de Geest', zegt de apostel als het ware. En zo kunnen we eigenlijk ook zeggen dat het in de Galatenbrief - evenals in een aantal hoofdstukken in de Romeinenbrief - gaat om 'wet of genade'.

Schrijver, ontstaan en bestemming

Het openingsvers van de brief laat ons zien dat de brief door Paulus geschreven is en volgens hoofdstuk 6:11 deed hij dat "eigenhandig" en in "grote letters".

Het tweede wat duidelijk wordt uit de beginverzen is dat hij schreef aan de "gemeenten van Galatië" (vs. 2). Volgens Handelingen 16:6 ging Paulus tijdens zijn tweede zendingsreis door het "Frygisch-Galatische land". Dit gebied bevond zich centraal in Asia (het tegenwoordige Turkije). Volgens datzelfde vers verhinderde de Heilige Geest Paulus en Timotheüs het Woord daar te spreken. Mogelijk heeft dit iets te maken met de lichamelijke toestand van Paulus toen hij daar de eerste maal was (zie Gal. 4:13 en 14). In die - waarschijnlijk korte - tijd heeft hij hen het evangelie verkondigd; hij moest echter al gauw door naar Mysië, een gebied helemaal in het westen van Turkije. Feit is dat wanneer er voor de tweede maal - namelijk tijdens zijn derde reis - sprake is van een bezoek van Paulus aan de Galaten er discipelen zijn, die versterkt moesten worden (Hand. 18:23). Dat zij 'vruchten' waren van Paulus' verkondiging moge blijken uit Galaten 4:19, waar hij ze als zijn "kinderen" omschrijft. Na zijn reis "door de bovenlanden" (Hand. 19:1), waarbij hij de discipelen in Galatië dus versterkte, kwam Paulus te Efeze, waar hij in totaal drie jaren verbleef (Hand. 20:31) en vanwaar hij de brief aan de Galaten schreef. Dit brengt ons op het jaar 57/58 als moment waarop de brief geschreven is. 

Structuur

A. 1:1-5 Briefstijl en groet.
B1. 1:6-2:14 Bezorgdheid.
C1. 2:15-4:11 Leerstellige correctie.
B2. 4:12-20 Bezorgdheid.
C2. 4:21-6:10 Leerstellige correctie.
B3. 6:11-14 Bezorgdheid.
C3. 6:15 Leerstellige correctie.
A. 6:16-18 Briefstijl en lofzegging. 

Doel en inhoud

Zoals uit de structuur wel duidelijk wordt, was er bij Paulus veel bezorgdheid. Deze zorg had vooral betrekking op het geloofsleven van de Galaten. Door de invloed van het Judaïsme (waarbij men de gelovigen weer onder de wet wilde brengen) sprak Paulus de vrees uit: "Gij zijt begonnen met de Geest, eindigt gij nu met het vlees?" (hfdst. 3:3). Maar vóór Paulus inhoudelijk op de zaak ingaat, zien we in het begin van de brief al hoe dramatisch de situatie onder de Galaten is, want de apostel gaat eerst uitgebreid in op zijn apostelschap. De toon wordt wat dit betreft al gezet in het eerste vers van de brief: "... een apostel, niet vanwege mensen, noch door een mens, maar door Jezus Christus, en God, de Vader ...". En zie ook hoofdstuk 1:12, 17 en 20. Blijkbaar was het de manier van zijn tegenstanders om twijfel te zaaien over het apostelschap van Paulus. En als er geen vertrouwen is, is de basis om dingen over te brengen eigenlijk al weg. En het lijkt alsof de apostel vanuit die angst en zorg zijn brief schrijft. Het 'geloofsschip' van de Galaten was zinkende. Iets van dit alles proeven we in de volgende verzen - en leest u ze maar na in uw Bijbel: hfdst. 1:6, 10 en 11; 3:1-4; 4:9-11, 16-20; 5:13 en 6:7.

Paulus wisselde de gedeelten waarin hij zijn bezorgdheid uitte, af door te schrijven hoe het allemaal leerstellig in elkaar zat voor de Galaten. Maar waar er geen vertrouwen is, wordt de waarheid van Gods Woord niet meer gelooft.

Gaat het in deze brief over Geest en wet dan is daar feitelijk sprake van het nieuwe en het oude verbond. De Galatenbrief werd immers ook in de tijd van de start van het nieuwe verbond geschreven. We weten uit historische bronnen dat er zich destijds in Galatië een grote en welvarende kolonie bevond van mensen die voortkwamen uit het oude bondsvolk van God. En natuurlijk was hen, in overeenstemming met de Handelingentijd, verkondigd dat zij hun plaats in de verbondsrelatie met God moesten innemen. Maar dit voor Israël geweldige evangelie werd tenietgedaan door mensen die hen in verwarring brachten en het evangelie van Christus verdraaiden (hfdst. 1:7), die hen als het ware betoverden (hfdst. 3:1), die hen buiten de genade wilden plaatsen (hfdst. 4:17), die hen in de weg kwamen (hfdst. 5:7).

Zonder het noodzakelijke vertrouwen kon Paulus de Galaten niet meer wijs maken, dat men slechts uit het geloof van (zoals het tot tweemaal toe letterlijk in Gal. 2:16 staat) Christus gerechtvaardigd kan worden

Kerntekst

"Gij zijt los van Christus, als gij door de wet gerechtigheid verwacht; buiten de genade staat gij" (hfdst. 5:4).

De brief aan de Efeziërs 

Algemeen

In grote lijnen is de brief aan de Efeziërs te verdelen in twee delen. De hoofdstukken 1-3 gaan vooral over de positie in Christus, terwijl het tweede deel (de laatste drie hoofdstukken) meer handelt over de praktijk. Boven dit tweede deel zou je Petrus' woorden kunnen schrijven: "... heiligt de Christus in uw harten als Here ... " (1 Pet. 3:15). 

Schrijver, ontstaan en bestemming

Met de Efeziërsbrief hebben we een brief die behoort tot de zogenaamde late brieven van Paulus. Deze late brieven zijn geschreven na de verklaring in Handelingen 28:28. De brieven aan de Efeziërs, Filippenzen, Colossenzen en aan Filemon zijn in de twee jaren van Paulus' gevangenschap in Rome geschreven (zie Hand. 28:16 en 30). Van de zeven late brieven zijn er in totaal drie aan gemeenten geschreven, de overige vier zijn tot individuen gericht (Filemon, Timotheüs en Titus). Deze drie gemeentelijke brieven zijn elk aan heiligen en gelovigen "in Christus" geschreven. Verder zijn belangrijke kenmerken van deze brieven dat ze het verborgen plan van God met betrekking tot de Gemeente van nu, het lichaam van Christus openbaren (zie vooral de brieven aan de Efeziërs en de Kolossenzen) en op die openbaring gestoeld zijn (vooral de Filippenzenbrief).

Omdat we het ontstaan van de brief aan de Efeziërs moeten plaatsen in de bovengenoemde tweejarige periode, betekent dat, dat deze brief geschreven is in de periode 61-63 na Christus.

Structuur

A. 1:1 en 2 Briefstijl.
a. 1:1 De opdracht van Paulus.
b. 1:2 Groeten - Genade en vrede.
B. 1:3-2:7 c. 1:3-14 Alle geestelijke zegen.
d. 1:15-19 Gebed van Paulus.
e. 1:19-2:7 Inwerking sterkte Zijner macht (1:19).
Hemelse gewesten, positie (1:20 en 2:6).
C. 2:1-10 De nieuwe schepping; Zijn wandel.
D. 2:11-19 De nieuwe mens (vs.15); Eens vervreemd (2:12).
E. 2:19-22 De tempel wast, goed ineensluitend, op (2:21).
Apostelen, profeten; fundamentlegging (2:20).
F. 3:1-13 Gevangene van Christus Jezus (3:1);
3-voudige eenheid (3:6).
G. 3:14-21 Het centrale gebed met als middelpunt:
De liefde van Christus/De volheid van God.
F. 4:1-6 Gevangene van de Here (4:1);
7-voudige eenheid (4:3-6).
E. 4:7-19 Het lichaam groeit, goed ineensluitend, op (4:16).
Apostelen, profeten, evangelisten, herders 
en leraars; toerusting (4:11 en 12).
D. 4:20-32    De nieuwe mens (4:24); Eens vervreemd (4:18).
C. 5:1-6:9 De nieuwe schepping; Zijn wandel.
B. 6:10-20 e. 6:10-13 Uitwerking sterkte Zijner macht (6:10).
Hemelse gewesten, standhouden (6:11 en 12).
c. 6:14-18 De gehele wapenrusting.
d 6:19 en 20  Gebed voor Paulus.
A. 6:21-24 Briefstijl.
a. 6:21 en 22 De opdracht van Tychikus.
b. 6:23 en 24 Groeten - Vrede en genade.

Doel en inhoud

Ook voor deze wat uitgebreidere structuur van de brief aan de Efeziërs geldt dat hetgeen bij de corresponderende letters staat (bijv. A en A; B en B, etc.) ook werkelijk verband met elkaar houdt. Meteen wordt uit deze opbouw duidelijk dat alles draait om Efeziërs 3:14-21 (punt G), waar de liefde van Christus en de volheid van God centraal staan. Dit alles staat verwoord in een gebed (het is de middelste van de drie keer dat Paulus het over gebed heeft in deze brief). Dit middelpunt omvat het omslagpunt van positie naar praktijk; het is als het ware een spiegel, waarin de rijkdommen in Christus (hfdst. 1-3) gespiegeld worden naar de praktijk (hfdst. 4-6). Hebben we oog voor het gehele verband dat er in zo'n brief ligt, dan begrijpen we onmiddellijk dat we (de zeven punten van) de wapenrusting in Efeziërs 6 pas goed kunnen verstaan, wanneer we de (zeven) zegeningen in Christus in hoofdstuk 1 ons eigen gemaakt hebben!

Hiervoor schreven we al dat de brief de openbaring bevat van dingen die tot dat moment nog niet geopenbaard waren door de Heer. Dit komt ook tot uiting in de woorden en begrippen die gebruikt worden en die het bijzondere van de positie van de gelovige van vandaag nader omschrijven. Zo wordt Christus omschreven als het Hoofd van de Gemeente, Zijn lichaam, wordt er gesproken over de nieuwe mens, gaat het over de wederverzoening, lezen we dat de gelovige mede-opgewekt is met Christus en dat de gelovigen een positie hebben in Christus in de hemelse gewesten. Al deze dingen zijn 'uniek' voor bijvoorbeeld de brief aan de Efeziërs en de overige late brieven; u zult ze in de rest van Gods Woord niet aantreffen! Eén en ander maakt deze brief tot een zeer belangrijke voor de gelovige van vandaag.

Kerntekst

"Mij, verreweg de geringste van alle heiligen, is deze genade te beurt gevallen, aan de heidenen de onnaspeurlijke rijkdom van Christus te verkondigen" (hfdst. 3:8).

De brief aan de Filippenzen

Algemeen

Hoewel de volgorde van de brieven van Paulus in het Nieuwe Testament bepaald is door de lengte van elke brief (de langste vooraan en de kortste achteraan) en dus eigenlijk op verkeerde gronden bepaald is, is het toch mooi dat daardoor de Filippenzenbrief precies tussen de brieven aan de Efeziërs en aan de Kolossenzen is komen te staan. Deze drie brieven ontstonden gelijktijdig en werden dus vanuit dezelfde achtergrond geschreven. Toch gaat het in de Filippenzenbrief vooral om het léven in deze tijd, waar het in de beide andere brieven vooral om Christus en de positie in Christus gaat 

Schrijver, ontstaan en bestemming

Evenals de brief aan de Efeziërs is ook deze brief door Paulus geschreven in de tweejarige periode die genoemd wordt aan het einde van het boek Handelingen (hfdst. 28:30). Waarschijnlijk was dat aan het einde van die tijd. In Filippenzen 2:23 en 24 spreekt Paulus namelijk de hoop uit zelf spoedig de Filippenzen te ontmoeten.

De gemeente te Filippi stond al vanaf het begin van Paulus' evangelieprediking om Paulus en zijn bediening heen en heeft hem al die tijd gesteund (hfdst. 4:15). Door de jaren heen is er een innige band ontstaan; dat blijkt bijvoorbeeld uit hoofdstuk 1:7, waar Paulus schrijft: "... omdat ik u op het hart draag ...".

De stad Filippi was een Romeinse kolonie (Hand. 16:12). Het was de eerste stad van het huidige Europa waar de apostel het evangelie mocht brengen. Omdat Filippi een Romeinse kolonie was, hadden de inwoners hetzelfde burgerschap als de inwoners van Rome zelf. Wat Paulus schreef over het burgerschap in de hemelen moet voor hen dan ook heel herkenbaar zijn geweest (hfdst. 3:20).

De directe aanleiding tot het schrijven van deze brief, ligt in de ondersteuning die de Filippenzen Paulus hadden doen toekomen (zie vooral hfdst. 4:10 en 18). Waarschijnlijk nam Epafroditus die deze stoffelijke gave had gebracht, de brief weer mee terug naar Filippi (hfdst. 2:25 en 28).

Evenals wij, waren de Filippenzen "heiligen in Christus Jezus" (hfdst. 1:1). In die zin staat deze brief bijzonder dicht bij ons en bevat hij rijke lessen met betrekking tot het leven dat we door genade mogen leven.

Structuur

A. 1:1 en 2 Briefstijl en groet. Genade zij u.
B. 1:3-26 Paulus' verlangen naar en bezorgdheid om de Filippenzen.
C. 1:27-2:18 Aansporing en het voorbeeld van Christus.
D. 2:19-24 Het voorbeeld van Timotheüs.
D. 2:25-30 Het voorbeeld van Epafroditus.
C. 3:1-4:9 Aansporing en het voorbeeld van Paulus.
B. 4:10-20 Het verlangen en de bezorgdheid van de Filippenzen naar en om Paulus.
A. 4:21-23 Briefstijl en lofzegging. Genade zij u.

Doel en inhoud

Waar de brieven aan de Efeziërs en de Kolossenzen veel meer een leerstellig karakter dragen, gaat het in deze brief vooral om de praktijk van het leven van de gelovige die deel uitmaakt van het lichaam van Christus. Wie de Filippenzenbrief nauwkeurig en ernstig leest, kan niet onberoerd blijven. Het draait in deze brief vooral om de gezindheid van Christus, zoals die ook in ons leven openbaar mag worden. Basis voor dat alles is de genade van God, waardoor wij in een zo hoge positie zijn terechtgekomen en die ons direct verbonden heeft aan Christus (vgl. bijv. Efe. 1:3-14 en Kol. 3:3). In het Grieks is het woord 'genade' rechtstreeks verwant aan 'blijdschap' en 'dankzegging' en het is dan ook de blijdschap die voortdurend naar voren komt. Blijdschap op grond van genade. En daarom: blijdschap onder alle omstandigheden! Paulus spreekt van zijn strijd (Fil. 1:12-18) en van de omstandigheden waarin hij verkeerde (Fil. 4:10-19), maar hij klaagt niet. Nee, blijdschap vanuit de gezindheid van Christus. Daar gaat het om!

De boodschap van Gods rijke genade heeft de apostel zelf in ieder geval niet onberoerd gelaten. In alles was hij erop gericht Christus te kennen (hfdst. 3:8 en 10). De rest achtte hij schade.

En in dat alles - en dat zou voor ons ook zo moeten gelden - staat een diep besef van het offer van Christus om (ook) ons te behouden. De woorden uit hoofdstuk 2:5-8, waar de 'uitermate' vernedering van onze Heiland beschreven wordt, zijn zo indrukwekkend! Wat Hij heeft willen doorstaan om het voornemen des HEREN voortgang te doen vinden (vgl. Jes. 53:10), is door ons mensen eigenlijk niet eens te doorgronden. We kunnen ons daar slechts een beperkt beeld van maken, maar dat zou al genoeg moeten zijn om te leven in Zijn gezindheid. En wat zou het een verschil maken, ook voor de verhoudingen tussen gelovigen onderling, wanneer we allen gehoor gaven aan Paulus' oproep: "Laat die gezindheid bij u zijn ...".

Daarom: het gehele Woord van God heeft invloed op onze gezindheid, ons denken, maar de Filippenzenbrief heeft dat zeker!

Kerntekst

"Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was ... " (hfdst. 2:5).

De brief aan de Kolossenzen

Algemeen

Meer dan de brief aan de Efeziërs, de tweelingbrief van de Kolossenzenbrief, gaat deze brief over de positie van Christus en ligt er meer nadruk op leerstellige waarheden. De Efeziërsbrief spreekt meer over de positie van het lichaam van Christus. 

Schrijver, ontstaan en bestemming

Waarschijnlijk is deze brief tegelijk met de Efeziërsbrief geschreven in de eerste helft van de tweejarige gevangenschap van Paulus in Rome (61-63 na Christus; Hand. 28). Beide brieven worden kennelijk door Tychikus overgebracht, die de geadresseerden bovendien meer zou vertellen over Paulus' omstandigheden (Efeze. 6:21 en 22 en Kol. 4:7 en 8). De Filippenzenbrief is aan het einde van die tweejarige periode geschreven. Zo zijn dus de drie gemeentelijke brieven voor het lichaam van Christus vanuit gevangenschap geschreven. De in Kolossenzen 4:15 en 16 genoemde brief aan Laodicea is waarschijnlijk de brief die wij kennen als de Efeziërsbrief. Men meent dat de woorden "[te Efeze]" (Efe. 1:1) er oorspronkelijk niet stonden (vandaar dat het tussen vierkante haken staat). De Efeziërsbrief moet daarom ook zeker niet gezien worden in verband met de brief aan Efeze uit Openbaring 2:1-7. 

Hoewel Paulus brieven geschreven heeft aan Laodicea en Kolossenzen, vinden we in het boek Handelingen geen verslag van zijn bezoek aan die steden; laat staan van zijn werk aldaar. Waarschijnlijk heeft hij beide steden zelfs nooit bezocht! In Kolossenzen 1:4 en 9 schrijft hij dat hij "gehoord" heeft van het geloof van de Kolossenzen (vgl. ook Efeze. 1:15). Op die manier drukt Paulus zich niet uit in de Filippenzenbrief, die hij immers gezien had (Hand. 16:12-40 en Fil. 1:30). Daarbij komt dat de Kolossenzen de "genade Gods in waarheid" hadden leren kennen door de bediening van Epafras (Kol. 1:6 en 7).

Zowel de Efeziërs- als de Kolossenzenbrief zijn dan ook minder 'persoonlijk' dan de Filippenzenbrief. 

Structuur

A. 1:1-2 Briefstijl en groet.
B. 1:3-8 Verslag en berichten door Epafras.
C. 1:9-2:7 Paulus' zorg om de Kolossenzen en zijn gebed dat zij het geheimenis mochten kennen.
D. 2:8-23 Leerstellige correctie voor zover men niet leefde vanuit de waarheid, zoals die in de Efeziërsbrief naar voren komt. Met Christus gestorven.
D. 3:1-4:1 Leerstellige correctie voor zover men niet leefde vanuit de waarheid, zoals die in de Efeziërsbrief naar voren komt. Met Christus opgewekt.
C. 4:2-6 Paulus' zorg om de Kolossenzen en zijn vraag om hun gebed i.v.m. zijn prediking van het geheimenis.
B. 4:7-9 Verslag en berichten door Tychikus en Onesimus.
A. 4:10-18 Briefstijl en groet. 

Doel en inhoud

In het hoofdstukje over de Efeziërsbrief is al opgemerkt dat de drie gevangenschapsbrieven elk aan heiligen en gelovigen "in Christus" geschreven zijn; terwijl zijn vroegere gemeentelijke brieven overwegend tot 'gemeenten te ...' zijn gericht. Een ander kenmerk is dat ze het (verborgen) plan van God met betrekking tot de gemeente van nu, het lichaam van Christus, openbaren. In de Colossenzenbrief wordt de basis van deze 'leer' aangaande het lichaam van Christus compleet gemaakt. Deze brieven informeren ons dus over onze positie en wandel.

Een derde kenmerk van deze brieven is, dat Paulus telkens uitvoerig zijn gebed voor de gelovigen omschrijft. Veel meer dan in de andere gemeentelijke brieven (waar Paulus, als hij het al had over zijn gebed, vooral dankt), komt in deze drie brieven zijn bidden (in de zin van vragen) naar voren. En waar hij om vraagt, is steeds hetzelfde: kennis (Grieks: epignoosis, diepere kennis, kennis die hoger ligt dan het algemene kennen, erkentenis):

Efeziërs 1:17 "opdat (...) God (...) u geve de Geest van wijsheid en van openbaring om Hem recht te kennen" (lett.: "u geve een geest van wijsheid en openbaring in Zijn kennis");

Filippenzen 1:9 "dit bid ik, dat uw liefde nog steeds meer overvloedig moge zijn in helder inzicht en alle fijngevoeligheid" (lett.: "meer overvloedig moge zijn in kennis") en

Kolossenzen 1:9 "voor u te bidden en te vragen, dat gij met de rechte kennis van Zijn wil vervuld moogt worden".

In deze teksten staat dus steeds hetzelfde Griekse woord epignoosis. Willen we werkelijk "onderscheiden, waarop het aankomt" (Fil. 1:10), dan is het nodig te bidden om deze kennis. De heerlijke dingen van de boodschap van de verborgenheid zijn in eerste instantie zó verborgen voor ons verstand dat God ze niet zomaar heeft laten optekenen. Nee, telkens als Zijn dienstknecht daarover moest schrijven, ging dat vergezeld van een gebed om die kennis te ontvangen. Waaróm verblijdde Paulus zich bijvoorbeeld in zijn zware strijd (Kol. 2:1 e.v.); wat betékent het dat we met Christus opgewekt zijn (Kol. 3:1); wat zíjn de zegeningen die verbonden zijn aan onze in Christus verborgen positie (Kol. 3:3) en wat ís onze hoop precies (Kol. 3:4)? Door vervulling met kennis gaan we het begrijpen!

Kernteksten

"Hun heeft God willen bekendmaken, hoe rijk de heerlijkheid van dit geheimenis is onder de heidenen: Christus onder u, de Hoop der heerlijkheid (...) Nu gij Christus Jezus, de Here, aanvaard hebt, wandelt in Hem ..." (hfdst. 1:27 en 2:5).

De eerste brief aan de Thessalonicenzen

Algemeen

De Thessalonicenzen brieven zijn vooral bekend om de dingen die er in geschreven staan met betrekking tot de wederkomst van de Here Jezus Christus. Op zich ligt dit ook wel voor de hand omdat bijvoorbeeld elk hoofdstuk van de eerste brief wordt afgesloten met een verwijzing naar de komst van Christus. Zo staat alles in deze brief min of meer in het licht van de toekomstverwachting. Verder verhaalt Paulus veel over allerlei praktische zaken; hoe zijn bepaalde dingen verlopen; hoe stond hij in zijn bediening; Paulus' blijdschap over de Thessalonicenzen, etc. 

Schrijver, ontstaan en bestemming

Samen met Silvanus (andere benaming voor Silas) en Timotheüs schrijft Paulus deze brief. Van al zijn brieven is dit de allereerste brief die hij geschreven heeft. Uit 1 Thessalonicenzen 3:1 en 2 leren we dat Paulus te Athene bleef (vgl. Hand. 17:15) en Timotheüs ("onze broeder, en een medewerker Gods") naar Thessaloniki zond. Wanneer dit 'zenden' precies plaatsvond, is niet helemaal duidelijk. Dit kan vanuit Athene zijn geweest, maar ook al vóór Paulus in Athene aankwam (vgl. Hand. 17:14 en 15).

Op het moment van schrijven waren Silas en Timotheüs inmiddels vanuit Thessaloniki (Macedonië) naar Korinthe gekomen (Hand. 18:5; zie ook 1 Tess. 3:6). Omdat er ná dit verblijf in Korinthe geen melding meer wordt gemaakt van een samenzijn van Paulus, Silas én Timotheüs, mogen we aannemen dat beide Thessalonicenzen brieven vanuit Korinthe geschreven werden, omdat beide door deze drie broeders zijn geschreven (zie 1 Tess. 1:1 en 2 Tess. 1:1).

Wat het tijdstip betreft, moeten we denken aan het einde 52 / begin 53.

Met betrekking tot het ontstaan van de gemeente te Thessaloniki, lezen we in Handelingen 17 dat Paulus drie sabbatten achtereen vanuit de Schriften de dood en opstanding van Christus (vs. 2 en 3) verkondigde. Vers 4 laat zien dat de basis van deze gemeente "enige van hen" (Joden) waren, maar "ook een grote menigte Grieken, die God vereerden en tal van voorname vrouwen". Na zware tegenstand van de zijde van de afgunstig geworden Joden - Paulus verwijst daarnaar in 1 Thessalonicenzen 1:6; 2:2, 14-16 en 3:3 - worden Paulus en Silas door de broeders naar Berea gezonden.

In de korte tijd dat Paulus te Thessaloniki verbleef, was er een hechte en hartelijke band ontstaan tussen Paulus en de Thessalonicenzen, zoals uit de brieven zelf valt op te maken.

Structuur

A. 1:1 Briefstijl en inleiding.
B1. 1:2-3:10 Dankzegging; verhalend verslag en berichten; beroep/oproep.
B2. 3:11-13 Gebed.
B1. 4:1-5:22 Aansporing/vermaning; onderricht.
B2. 5:23-25 Gebed.
A. 5:26-28 Briefstijl en afsluiting.

Doel en inhoud

Wie de brief leest, ontdekt al gauw dat het met name Paulus' bezorgdheid is, die hem ertoe bewoog deze brief te schrijven. Vanwege het verzet van Joodse zijde (zie onder 'Schrijver, ontstaan en bestemming'), moest de apostel Thessaloniki vroegtijdig verlaten. De situatie in Thessaloniki was een grote zorg voor hem en hij wil naast een aantal dingen die hij niet meer tot hen kon uitspreken, hen ook in zijn brief bemoedigen.

Zoals onder 'Algemeen' al is aangegeven, neemt de toekomstverwachting een belangrijke plaats in deze brief in. Veel van wat Paulus daarover schrijft, is in de loop der tijden door gelovigen toegeëigend. Wordt de toekomstverwachting van nu omschreven, dan gebeurt dat doorgaans in woorden die uit de Thessalonicenzen brieven komen. Wat dat betreft geven deze brieven een duidelijke lijn van wat komen gaat. Tegelijk zouden we ook moeten beseffen dat het niet zozeer ónze hoop is die hier beschreven wordt! Die vinden we juist veel meer in de late brieven van Paulus.

Toen Paulus als eerste van al zijn brieven, deze eerste Thessalonicenzen brief schreef, deed hij dat tegen de achtergrond van de verwachting van de openbaring van Christus.

De "komst" waarover Paulus hier schrijft, is de komst die Christus Zelf voorzegde (bijv. Matt. 24:3 en 27-31) en die later nog eens herhaald wordt (Hand. 1:11). In 1 Thessalonicenzen 2:19; 3:13; 4:15 en 5:23 gebruikt Paulus voor het woord "komst" het Griekse parousia (uit te spreken als paroesia), dat in de Statenvertaling meestal met "toekomst" wordt weergegeven. Letterlijk betekent het echter 'aanwezigheid' (zie Fil. 2:12, waar het vertaald wordt met "tegenwoordigheid"). Het woord parousia duidt daarmee niet zozeer op het komen, maar juist op de tijd die aanbreekt ná de komst. Deze parousia begon met de openbaring van Christus (vgl. 2 Tess. 1:7), met luid bazuingeschal en vlammend vuur. Die komst en aanwezigheid was de hoop voor de Thessalonicenzen en daar zag Paulus met hen naar uit.

Kerntekst

"En Hij, de God des vredes, heilige u geheel en al, en geheel uw geest, ziel en lichaam moge bij de komst (lett: in de aanwezigheid) van onze Here Jezus Christus blijken in allen dele onberispelijk bewaard te zijn" (hfdst. 5:23).

De tweede brief aan de Thessalonicenzen 

Algemeen

Evenals dat met de eerste brief aan de Thessalonicenzen het geval is, staat ook deze tweede brief vooral bekend om de dingen die er in geschreven staan met betrekking tot de toekomst. Het grootste deel van hoofdstuk 1 en 2 gaat over dat wat er in de toekomst gaat gebeuren. Een toekomst die in de tijd dat deze brief werd geschreven zeer aanstaande was en verwacht werd! Het gaat over de openbaring van Christus, Zijn aanwezigheid en de dag des Heren, de afval en de wetteloosheid, de wederhouder en de komst van de wetteloze. Allerlei zaken die de Thessalonicenzen zeer bezighielden.

Schrijver, ontstaan en bestemming

Het zijn Paulus, Silvanus en Timotheüs die als afzenders van deze brief in het openingsvers staan. Over het algemeen wordt aangenomen dat Paulus de brief niet al te lang na de eerste verzonden heeft. Zie wat betreft de zaken die we gewend zijn onder het kopje 'Schrijver, ontstaan en bestemming' te vermelden, het voorgaande gedeelte over de eerste Thessalonicenzen brief. Wat daar staat, geldt grotendeels ook voor deze tweede Thessalonicenzen brief.

Structuur

A. 1:1 en 2 Briefstijl en inleiding. Genade en vrede.

B1. 1:3a Dankzegging.
B2. 1:3b-5 Reden: hun geloof, liefde en volharding.
B3. 1:6-10 Het verkrijgen van rust en heerlijkheid.
B4. 1:11 Gebed voor de Thessalonicenzen.
B5. 1:12a Dat de Naam des HEREN verheerlijkt worde ...
B6. 1:12b ... en zij in Hem verheerlijkt worden.
B7. 2:1-12 Waarschuwing.
B1. 2:13a Dankzegging.
B2. 2:13b Reden: hun redding.
B3. 2:14 en 15 Het verkrijgen van heerlijkheid.
B4. 2:16-3:1a Gebed voor Paulus.
B5. 3:1b-4 Dat het Woord verheerlijkt worde ...
B6. 3:5 ... en hun harten op Gods liefde gericht mogen zijn.
B7. 3:6-15 Waarschuwing.
A. 3:6-15 Briefstijl en afsluiting. Genade en vrede. 

Doel en inhoud

Het doel dat Paulus met deze brief heeft, wordt vooral aan het begin van het tweede hoofdstuk beschreven. 

Er waren zogenaamde geestesuitingen en predikingen die grote ontrust veroorzaakten onder de Thessalonicenzen. Er circuleerden zelfs brieven waar iemand Paulus' naam onder had gezet. De Thessalonicenzen leefden in de tijd waarin de wederkomst van Christus (dat is: Zijn openbaring!) aanstaande was. Alles stond in het licht van die komst. Dat het allemaal langer zou gaan duren, weten wij nu, maar dat was ten tijde van het schrijven van deze brieven nog niet geopenbaard. Echter alles wat er gebeuren zou, zou (en zal!) wel in een bepaalde volgorde geschieden. De - nog niet zo lang geleden tot geloof gekomen - gelovigen te Thessaloniki werden bestookt met uitingen die van God afkomstig leken, maar dat niet waren. Daardoor leefden zij in de veronderstelling dat de dag des HEREN al aanbrak (hfdst. 2:2). Paulus noemt in vers 1 en 2 drie dingen die direct met de openbaring van Christus te maken hebben:

- de komst (Grieks: parousia; zie gedeelte over de eerste Thessalonicenzen brief) van onze Here Jezus Christus;

- onze vereniging (Grieks: episunagoogee, toe vergadering) en

- de dag des HEREN.

Maar met deze drie aspecten maakt Paulus meteen duidelijk dat vóór het zover is, eerst de afval moet komen en de mens der wetteloosheid zich moet openbaren (vs. 3 en 4). Deze beide begrippen ('afval' en 'openbaring van de mens der wetteloosheid') zijn twee aspecten van dezelfde zaak. Met de 'afval' wordt hier gewezen op (een deel van) het volk Israël dat van haar verbondspositie, als vrouw van de HERE, afvalt. Door de hele Bijbel heen zien we dat daar waar Israël afvalt van de HERE, zij dat doet door andere 'goden' achterna te lopen. Dit laatste heeft met de wetteloze te maken die zich in de tempel zet en zich daar zal laten aanbidden (en wel door een gedeelte van het volk van Israël). Wanneer deze dingen zich voor de laatste keer zullen afspelen, is de tijd aanbeland in de periode die wel de laatste jaarweek van Daniël genoemd wordt en daarvan dan weer de laatste helft: de tijd van grote verdrukking. Die tijd en de gebeurtenissen ín die tijd moeten eerst plaatsvinden en dan zal de komst (= aanwezigheid) van de Here Jezus, de toe vergadering tot Hem en de dag des HEREN aanbreken, zo schrijft Paulus. In deze dingen spreekt hij dus niet over de hoop en verwachting van het lichaam van Christus, maar wel over de hoop van de gelovigen in de Handelingentijd en van gelovigen die in de toekomst deze dingen mee zullen maken. Zij zullen reikhalzend uitzien naar de verlossende openbaring van Christus (zie hfdst. 1:5-10).

Kerntekst

"Maar wij verzoeken u, broeders (...) dat gij niet spoedig uw bezinning verliest of in onrust verkeert ..." (hfdst. 2:1 en 2).

De eerste brief aan Timotheüs

Algemeen

Samen met de brief aan Filemon en de brief aan Titus zijn de Timotheüsbrieven door Paulus geschreven aan personen; niet direct aan gemeenten. Met name de brieven aan Timotheüs en Titus worden (overigens pas sinds de 19e eeuw) ook wel de 'pastorale' of 'herderlijke' brieven genoemd. Deze benaming is aan deze brieven gegeven vanwege de herderlijke toon met betrekking tot allerlei aanwijzingen die gegeven worden inzake de leiding van de gemeente. Deze drie brieven behoren samen met de brief aan Filemon en de drie gemeentelijke brieven (die aan de Efeziërs, de Filippenzen en de Kolossenzen) tot de latere brieven van Paulus. De meeste bijbeluitleggers zijn het erover eens dat de drie brieven aan Timotheüs en Titus zelfs de drie allerlaatste door Paulus geschreven brieven zijn. Chronologisch gezien staan ze dus het dichtst bij ons. 

Schrijver, ontstaan en bestemming

De eerste twee verzen van 1 Timotheüs laten ons direct zien, dat Paulus schrijft aan Timotheüs. Timotheüs bevindt zich op dat moment in Efeze (hfdst. 1:3). Ditzelfde vers suggereert dat Paulus mogelijk in Macedonië was, ten tijde van het schrijven van de brief. Anderen menen dat de brief geschreven is vanuit Laodicea, de voornaamste stad in Frygie Pacatania. 

Het is dus een brief die aan één persoon gericht is en daarom een persoonlijk karakter draagt. De slotgroet van de brief staat echter in het meervoud ("De genade zij met ulieden"), zodat we mogen zeggen dat de boodschap niet slechts voor Timotheüs bestemd is.

Over het algemeen wordt aangenomen dat de brief ergens in de jaren 62 - 64 geschreven is; dat is na Paulus' eerste gevangenschap in Rome en dus na Handelingen. Sommigen menen dat de brief zelfs in 67 na Christus geschreven is. 

Structuur

A. 1:1 en 2 Lofprijzing.
B. 1:3-20 Vermaning. Praktisch.
C. 2:1-3:13 Onderricht en discipline.
D. 3:14 en 15 Voorgenomen komst en de tijd tot die komst.
E. 3:16 Het geheimenis van de godsvrucht.
E. 4:1-12 Het geheimenis van de ongerechtigheid.
D. 4:13-16 Voorgenomen komst en de tijd tot die komst.
C. 5:1-6:2 Onderricht en discipline.
B. 6:3-21a Vermaning. Praktisch. Dankzegging.
A. 6:21b Lofprijzing. 

Doel en inhoud

Behalve dat Paulus met deze brief niet alleen Timotheüs op het oog had, is er wat dit betreft nog iets. Hij noemt Timotheüs: "mijn waar kind in het geloof" (hdfst. 1:2) en zo beschrijft hij Titus ook (Tit. 1:4). Dat Paulus hen zo omschrijft, houdt in dat zij door zijn getuigenis de Heer hebben leren kennen. Vergelijk bijvoorbeeld Filemon 10. Ergens heeft dit een typologische betekenis: het lichaam van Christus is in bepaald opzicht ook een 'waar kind' van Paulus! Natuurlijk, het gaat allemaal uit van de Here Zelf en Hij is onze hemelse Vader, maar Paulus is daartoe het middel in Zijn handen. De boodschap van Paulus is nu binnen Gods plan de geldende boodschap en feitelijk is het die boodschap waar je deel aan krijgt als je tot geloof komt. De naam 'Timotheüs' betekent: 'Godvrezende' of '(tot) eer van God' (vergelijk wat er over de gemeente staat in Efe. 1:6, 12 en 14).

Vóór alles is de eerste Timotheüsbrief (en dat geldt ook voor 2 Timotheüs en Titus) een brief die Paulus richt tot zijn medewerker Timotheüs. Deze jongere broeder in het geloof vergezelde Paulus al geruime tijd in diens bediening (al vanaf Hand. 16:1-3) en was inmiddels een getrouw medewerker gebleken van de apostel.

Paulus schrijft diverse indrukwekkende gedeelten in deze brief. Denk bijvoorbeeld aan hoofdstuk 1:12-17, waar hij Christus Jezus dank brengt dat Hij Zich om hem ontfermd heeft. Paulus beschrijft in deze verzen hoe onnoemelijk groot Gods genade is en hoe een grote zondaar hij zelf is.

In hoofdstuk 2 en 5 staan concrete instructies met betrekking tot onze houding ten opzichte van de wereld om ons heen en zaken waar gelovigen aan zouden moeten voldoen. Hoofdstuk 3 bevat aanwijzingen voor de leiding van de plaatselijke gelovigen. Zonder te oordelen over hoe het er inmiddels na tweeduizend jaar christendom in de praktijk aan toe gaat, zou de christelijke kerk veel dichter bij de waarheid staan, wanneer opzieners en diakenen op grond van dat wat hier staat, zouden worden bevestigd. Zeker wanneer hier bovendien de 'kwalificaties' uit Titus 1:5-9 in worden meegenomen. Waar zijn bijvoorbeeld de oudsten die nog weten wat de "gezonde leer' is (Tit. 1:9)?

In 1 Timotheüs 4 verwijst Paulus naar wat er later in de bedeling van het geheimenis zal gebeuren. In hoofdstuk 6 doet Paulus een emotionele oproep aan Timotheüs (en ons!) zich verre te houden van allerlei onreinheid, winstbejag, holle klanken en zogenaamde kennis en de goede strijd des geloofs te strijden.

Kerntekst

"Strijd de goede strijd des geloofs, grijp het eeuwige leven, waartoe gij geroepen zijt en de goede belijdenis afgelegd hebt voor vele getuigen" (hfdst. 6:12).

De tweede brief aan Timotheüs

Algemeen

Wat in het voorgaande gedeelte over de eerste Timotheüsbrief geschreven is onder 'Algemeen', geldt ook hier. Met dit verschil, dat de eerste Timotheüsbrief (en de brief aan Titus) door Paulus in vrijheid geschreven werd; de tweede Timotheüsbrief schreef hij vanuit gevangenschap. Daarmee is deze brief eigenlijk een 'verlate' gevangenschapsbrief; het is zelfs de allerlaatste brief van Paulus. Dat is goed merkbaar want dit schrijven draagt het karakter van afscheid nemen; het is een wat weemoedige, trieste brief.

Schrijver, ontstaan en bestemming

Paulus schrijft aan Timotheüs (hfdst. 1:2). Naar alle waarschijnlijkheid bevond Timotheüs zich evenals op het moment van het schrijven van de eerste Timotheüsbrief nog steeds in Efeze. Paulus verwijst namelijk naar Onesiforus, die "goede diensten" bewezen heeft te Efeze (hfdst. 1:16-18; vgl. hfdst. 4:19).

Waar geen enkele twijfel over kan bestaan, is de verblijfplaats van Paulus; over Onesiforus schrijft hij: "Integendeel, toen hij te Rome gekomen was, heeft hij mij ijverig gezocht en mij ook gevonden ..." (hfdst. 1:17). Daar, in Rome, verbleef hij - inmiddels voor de tweede keer - als gevangene. Waar hij gedurende zijn eerste gevangenschap echter een relatieve vrijheid genoot (zo mocht hij in een eigen gehuurd huis wonen met een soldaat die hem bewaakte, Hand. 28:16 en 30), daar werd hij nu behandeld als een misdadiger (hfdst. 2:9).

Waarschijnlijk is de apostel in de winter (vgl. hfdst. 4:13 en 21) van 67 / 68 ter dood gebracht. Vlak daarvoor moet hij de brief geschreven hebben, als een geestelijk testament. Ca twee jaar na het sterven van Paulus vond de verwoesting van Jeruzalem plaats.

Structuur

A. 1:1-7 Groet en herinnering.
B. 1:8-18 Paulus en zijn boodschap verlaten (vs. 15).

a. De Heer is zijn beschermer (vs. 12).
b. Fygelus en Hermogenes keerden zich af (vs. 15).
c. Onesiforus - de Heer bewijze hem barmhartigheid (vs. 16).
d. Paulus de verkondiger (kerux) der heidenen (vs. 11).
C. 2:1-13 Onderwijs wat je van mij gehoord hebt (vs. 1 en 2).
a. Lijden en heersen (vs. 11 en 12).
b. Een goed (kalos) soldaat (vs. 3).
c. De krans ontvangen (stefano'o) (vs. 5).
d. Kwaad lijden (kakopatheoo) (vs. 3 en 9).
D. 2:14-26 Hymeneus en Filetus uit het spoor der waarheid (vs. 17 en 18).
a. Zij drijven (prokopto) de goddeloosheid verder (vs. 16).
b. Bekering tot erkentenis der waarheid (vs. 25).
c. Wél beproefd (dokimos) (vs. 15).
D. 3:1-9 Jannes en Jambres weerstaan de waarheid.
a. Zij zullen het niet verder brengen (prokopto) (vs. 9).
b. Zonder ooit tot erkentenis der waarheid te komen (vs. 7).
c. De toets niet doorstaan (adokimos) (vs. 8).
C. 3:10-4:8 Aandacht voor mijn onderwijs.
a. Lijden en heersen (hfdst. 3:11 en 12 en 4:1).
b. De goede (kalos) strijd (hfdst. 4:7).
c. De krans (stefanos) (hfdst. 4:8).
d. Aanvaard het lijden (kakopatheoo) (hfdst. 4:5).
B. 4:9-18 Paulus en zijn boodschap verlaten.
a. De Heer is zijn beschermer (vs. 17).
b. Demas heeft mij verlaten (vs. 10).
c. Alexander - de Heer vergelde hem (vs. 14).
d. Paulus' verkondiging (kerugma) tot de heidenen (vs. 17).
A. 4:19-22 Groet en lofprijzing. 

Doel en inhoud

De tweede Timotheüsbrief is een afscheidsbrief. Paulus draagt de verkondiging over aan Timotheüs (hfdst. 2:1 en 2 en 4:1-5), maar schrijft ook dat zijn bediening erop zit. Hij heeft zijn "loop ten einde gebracht" (hfdst. 4:7). En zijn "verscheiden" (Statenvertaling: "ontbinding") stond voor de deur. De wens die hij in Handelingen 20:24 uitsprak, namelijk dat hij zijn loop ten einde mocht brengen, was hier 'vervuld'.

Toch moet het voor de apostel allemaal niet gemakkelijk zijn geweest. Wie Handelingen 19:10 vergelijkt met 2 Timotheüs 1:15 proeft de enorme tragiek. Waar Paulus de in het Oude Testament gegronde, profetische boodschap verkondigde, konden en wilden velen hem aanhoren. Maar de boodschap die hij in zijn (eerste) gevangenschap mocht bekendmaken - dat rijke Woord met betrekking tot de verborgenheid van Christus - veroorzaakte dat "allen in Asia" zich van hem afkeerden.

Al met al zien we een apostel (met een bediening waarvan de uitwerking menselijk gesproken geen succesverhaal was) geheel teruggeworpen op zijn Heer en Heiland (vs. 16 en 17). Een indringende les voor ons: als je het Woord van God wilt verkondigen en uitleven zoals God dat bedoeld heeft, zul je je uiteindelijk slechts op Hem kunnen verlaten. "... ik weet op Wie ik mijn vertrouwen heb gevestigd ..." (hfdst. 1:12).

Kernteksten

"Verkondig het Woord (...) er komt een tijd dat de mensen de gezonde leer niet meer zullen verdragen (...) ik heb de goede strijd gestreden, ik heb mijn loop ten einde gebracht, ik heb het geloof behouden, voorts ligt voor mij gereed de krans der rechtvaardigheid ..." (hfdst. 4:2, 3 en 6-8a).

De brief aan Titus

Algemeen

De brief aan Titus behoort tot de brieven die Paulus aan slechts één persoon schreef. De naam 'Titus' betekent volgens sommigen: eerwaardig, geëerd; volgens anderen: wilde duif. Paulus noemt Titus, zijn "waar kind krachtens (ons) gemeenschappelijk geloof" (hfdst. 1:3). Wat voor Timotheüs geldt (zie het gedeelte over de eerste Timotheüsbrief), geldt ook voor Titus: hij kan gezien worden als een beeld van de gemeente, het lichaam van Christus. De gemeente is immers een (geestelijk) kind van Paulus en neemt bovendien een 'eerwaardige' plaats in; namelijk in Christus boven al wat is en tot lof van Zijn heerlijkheid. Ook de andere betekenis van Titus' naam - wilde duif - komt hierin tot uitdrukking; in lijn met dat heidenen in Romeinen 11 als 'wilde olijf' gezien wordt.

Schrijver, ontstaan en bestemming

Net als de eerste Timotheüsbrief schreef Paulus deze brief tussen zijn twee gevangenschappen in Rome, waarschijnlijk in het jaar 67 na Christus. Waar Paulus de brief aan Titus heeft geschreven is niet duidelijk. Wat we wel weten, is dat hij van plan was naar Nikopolis te gaan (hfdst. 3:12). Titus bevond zich op Kreta (hfdst. 1:5).

Hoewel de brief aan één persoon geschreven is, zien we dat hij afsluit met de voor Paulus kenmerkende genadebede. Deze genadebede is gericht aan "u allen", in het meervoud. Over de schouders van Titus heen schrijft de apostel dus aan meerderen. Ook wij mogen ons aangesproken weten door wat hij in deze brief naar voren brengt.

Structuur gehele brief

A. 1:1-4 Briefstijl en groet.
B. 1:5-9 Orde binnen de gemeenten.
C. 1:10-16 Berisping van de (twistzieke) Kretenzen.
D. 2:1-10 De wandel en werken van gelovigen. Titus als voorbeeld.                                                                                   E. a. 2:11 Reden: de genade van God is aan allen verschenen.
b. 2:12-14 Wat we zouden moeten zijn, als gevolg van het onderwijs der genade.
c. 2:15 Oproep aan Titus om te spreken, te vermanen en te weerleggen.
Ec. 3:1 en 2 Oproep aan Titus om zich te herinneren.
b. 3:3 Reden: wat we waren zonder de genade.
a. Reden: de goedertierenheid van God is verschenen.
D. 3:8 De wandel en werken van gelovigen. Titus die anderen daartoe moet aansporen.
C. 3:9 Veroordeling van de (twistzieke) Kretenzen.
B. 3:10 en 11 Discipline binnen de gemeenten.
A. 3:12-15 Briefstijl, groet en genadebede.

Structuur Titus 2

A. 1 Oproep om uit te komen voor wat met de gezonde leer strookt.
B.1a. 2-5a Oproep aan oude mannen, oude vrouwen en (indirect) jonge vrouwen.
B.1b. 5b Reden: opdat het Woord Gods niet gelasterd worde.
B.2a.. 6-8a Oproep aan jonge mannen en het voorbeeld van Titus.
B.2b. 8b Reden: opdat de tegenstander tot zijn beschaming niets ongunstigs van ons hebbe te zeggen.
B.3a. 9 en 10a Oproep aan slaven.
B.3b. 10b Reden: opdat de leer van God, onze Heiland, in alles tot sieraad gestrekt wordt.
C.1. 11 Reden van vers 2-10: De genade Gods is verschenen; verleden.
C.2. 12 Uitwerking van de genade Gods; heden.
C.3. 14 Hoop van de genade Gods; toekomst.
C.1.  14a Wat Christus deed voor ons; verleden.
C.2. 14b Uitwerking van Christus' werk; heden.
A. 15 Oproep om te spreken, te vermanen en te weerleggen in overeenstemming met de gezonde leer.

Doel en inhoud

Het doel van deze brief is Titus aan te sporen om te 'staan' voor de boodschap: zie hoofdstuk 1:13; 2:1 en 15; 3:1 en 8. Deze aanmoedigingen heeft Titus nodig in zijn taak op Kreta om structuur onder de gelovigen aan te brengen (hfdst. 1:5 e.v.).

Al deze aansporingen staan tegen de achtergrond van de "gezonde leer". En het is vooral deze gezonde leer die de inhoud vormt van deze brief. Daar draait alles om. Dat is ook zichtbaar in de opbouw; zie daarvoor de 'Structuur gehele brief'. Alles daarin werkt toe naar punt E. waar de dingen beschreven worden die direct met de gezonde leer te maken hebben.

Kijken we vervolgens naar de 'Structuur Titus 2', dan zien we dat de kern van de gezonde leer de verschijning van de genade Gods is. Aan deze genade is een geweldige hoop verbonden, die op zich weer de kern van de gezonde leer vormt: "... verwachtende de zalige hoop en de verschijning der heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Christus Jezus" (vs. 13).

Kernteksten

"Want de genade Gods is verschenen, heilbrengend voor alle mensen, om ons op te voeden, zodat wij, de goddeloosheid en wereldse begeerten verzakende, bezadigd, rechtvaardig en godvruchtig in deze wereld leven, verwachtende de zalige hoop en de verschijning der heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Christus Jezus ..." (hfdst. 2:11-13).

De brief aan Filemon

Algemeen

Deze kleine brief vinden we aan het einde van de reeks van brieven in het Nieuwe Testament, waaraan Paulus' naam als schrijver verbonden is. Juist omdat het de kortste van Paulus' brieven is, staat deze achteraan. Het is een persoonlijke brief waarin Paulus aan Filemon een verzoek doet met betrekking tot een slaaf, Onesimus.

Schrijver, ontstaan en bestemming

Paulus schreef deze brief eigenhandig (zie vs. 19) samen met Timoteüs in de tijd dat hij in Rome gevangen zat in zijn "eigen gehuurde woning" (61-63 na Christus; Hand. 28). Gedurende die tweejarige periode schreef Paulus in totaal vier brieven. Naast deze brief aan Filemon ook nog de brieven aan de Efeziërs, Filippenzen en Kolossenzen. Uit vers 22 kunnen we min of meer opmaken dat de brief aan het einde van Paulus' gevangenschap is geschreven.

De brief is gericht aan onder anderen Filemon, Appia en Archippus. De eerste twee namen komen alleen in dit vers voor in de Bijbel. Mogelijk waren Filemon en Apfia met elkaar getrouwd. Over Archippus lezen we ook nog in Kolossenzen 4:17. Hieruit maken we op dat deze drie waarschijnlijk in Kolosse woonden (zie ook Kol. 4:9 en 12 en Flm. 12 en 23).

Structuur gehele brief

A. vs. 1 en 2 Briefstijl en groet.
B. vs. 3 Genadebede.
C. vs. 4-6 Paulus' gebed voor Filemon.
D. vs. 7a Paulus' vreugde in Filemon.
E. vs. 7b Het hart / gemoed der heiligen verkwikt.
F. vs. 8 Ik zou mogen gelasten (maar maak er geen gebruik van).
G. vs. 9 Paulus, een oud man.
H. vs. 10 en 11 Onesimus; bruikbaar, zowel voor u als voor mij.
I. vs. 12 Ontvang hem als mijzelf.
J. vs. 13 Onesimus die namens u dient.
J. vs. 14 Wat goeds gij doet.
H. vs. 15 en 16 Een geliefde broeder; voor u en voor mij.
I. vs. 17 Ontvang hem als mijzelf.
G. vs. 18 en 19a Paulus, de schuldenaar.
F. vs. 19b Ik zeg het niet (maar zou het wel mogen).
D. vs. 20a Paulus' vreugde in Filemon.
E. vs. 20b Verkwik mijn hart / gemoed.
C. vs. 21 en 22 Filemons gebed voor Paulus.
A. vs. Briefstijl.
B. vs. 25 Genadebede.

Doel en inhoud

Het doel van de brief betreft Onesimus, een slaaf van Filemon die blijkbaar weggelopen was (vgl. vs. 15 en 16). Zonder daar al te veel op te speculeren, mogen we wellicht toch wel concluderen uit deze brief dat Onesimus op zoek is geweest naar rust voor zijn hart. Hij was een onbruikbare slaaf (vs. 11) die nog wegliep ook. Of hij op dat moment al op zoek was naar de Heer, of dat dit pas kwam toen hij op de vlucht was, weten we niet. Wat wel duidelijk is, is dat hij bij Paulus terechtkwam, helemaal in Rome! Daarvoor heeft hij een behoorlijk eind moeten reizen.

En daar in Rome stelde hij zijn vertrouwen op de Heer. Dit laatste blijkt wel uit Paulus' woorden in vers 10 als hij Onesimus beschrijft als "mijn kind, dat ik in mijn gevangenschap verwekt heb" (vgl. bijv. ook 1 Tim. 1:2 en Tit. 1:3). Onesimus was in Paulus' gevangenschap "verwekt", dat wil hier zeggen: tot (weder)geboorte gekomen. En nu was hij een "getrouwe en geliefde broeder" (Kol. 4:9)!

Eigenlijk is Onesimus een prachtig beeld van hoe iemand in deze huidige tijd tot geloof kan komen. Van nature zijn we als het ware onbruikbaar, onnuttig (vgl. Rom. 3:12); tegelijk zijn we slaven, namelijk: slaven der zonde. Maar wie op zoek gaat, zal de Here vinden en deel krijgen aan de boodschap die juist door Paulus verkondigd is in zijn gevangenschap. In feite worden wij nu 'door Paulus verwekt in zijn gevangenschap' en mogen we behoren tot het lichaam van Christus, waarbij Hij Zelf het Hoofd is van datzelfde lichaam! Zo mogen ook wij door genade "getrouwe en geliefde" broeders (en zusters) zijn.

Kerntekst

"... vroeger onbruikbaar (...) nu zeer bruikbaar ..." (vs. 11).

De brief aan de Hebreeën

Algemeen

De Hebreeënbrief vinden we in onze Bijbel tussen de brieven van Paulus en de 'algemene zendbrieven'. Het is een lange brief, waarin de schrijver ervan uitgaat dat zijn lezers bekend zijn met het Oude Testament. Hoewel het briefhoofd mist, wordt uit het einde duidelijk dat we wel degelijk met een brief van doen hebben. 

Schrijver, ontstaan en bestemming

Zoals onder 'Algemeen' al opgemerkt, vinden we aan het begin van deze brief geen gegevens over wie de schrijver is en aan wie deze brief is gericht. Om met het laatste te beginnen: het is onmiskenbaar een brief die gericht is aan het Hebreeuwse volk. Dat is het nageslacht van Abraham, de eerste mens die in de Bijbel een Hebreeër genoemd wordt (Gen. 14:13). In Hebreeën 2:10-17 worden zeven verschillende omschrijvingen gebruikt om deze doelgroep aan te duiden: vele zonen; zij, die geheiligd worden; broeders; gemeente; kinderen; nageslacht van Abraham en het volk. Al in het eerste vers van de brief zien we dat het over de "vaderen" gaat en over "ons" (nl. de nakomelingen van die vaderen) tot wie de Here had gesproken door middel van de profeten en de Zoon. Overigens blijkt uit de brief dat het niet altijd gelovige Hebreeën zijn, tot wie de schrijver zich richt.

Hoewel er heel wat suggesties gedaan zijn over wie de schrijver van de Hebreeënbrief geweest is, lijkt het het meest voor de hand te liggen dat dit Paulus geweest is. De Statenvertalers hebben in het opschrift van de brief zijn naam zelfs gewoon vermeld als schrijver. Is Paulus werkelijk de schrijver, dan betekent dit dat hij zeven vroegere brieven (inclusief deze) heeft geschreven en zeven latere. Daarnaast zijn er dan nog de zeven algemene brieven en de zeven zendbrieven in Openbaring 2 en 3. Op zich wel een evenwichtig geheel dus ...

Toch mogen we niet voorbijgaan aan het feit dat Paulus' naam juist niet vermeld staat. Hierdoor kan de boodschap van deze brief niet automatisch worden opgenomen in de boodschap die Paulus had voor de heidenen, laat staan in die van het lichaam van Christus.

De brief is in ieder geval geschreven vóór de verwoesting van de tempel, want in hoofdstuk 10:11 laat de schrijver zien dat de priesterdienst nog steeds gaande was. De uitnodiging om toch vooral tot het heil in te gaan (hfdst. 3:12 en 4:1 e.v.), maakt deze brief tot een typische 'Handelingentijdbrief' (vgl. ook Hebr. 2:3 en 4). Mogelijk moeten we denken aan het jaar 54.

Structuur gehele brief

A. 1:1-2:18 Leerstellige inleiding.
B.   a. 3:1-4:13 De zending van Christus.
b. 4:14-16 Algemene toepassing. "Daar wij nu ... hebben ..." (vs. 4:14).
B.   a. 5:1-10:18 Het priesterschap van Christus.
b. 10:19-12:29 Bijzondere toepassing. "Daar wij dan ... bezitten ..." (hfdst. 10:19).
A. 13:1-25 Praktische afronding. 

Doel en inhoud

Behalve dat in deze brief de dringende aansporing aan de Hebreeën naar voren komt om tot het heil in te gaan en niet ongelovig te blijven, bevat deze brief een prachtig en rijk getuigenis aangaande de Here Jezus; namelijk dat Hij - en wat Hij gebracht heeft - hoger, beter en volmaakter is. Wie deze brief doorbladert, komt deze dingen vanzelf tegen. In hoofdstuk 1 en 2 zien we de Zoon in Zijn hogere positie dan de engelen. In hoofdstuk 3 zien we Hem met een grotere heerlijkheid dan Mozes. Hoofdstuk 4 beschrijft Hem als de ware Jozua, Die Zijn land in de werkelijke rust zal brengen. Hoofdstuk 4-8 laat Christus zien in Zijn hoedanigheid als priester: hoger en van een geheel andere orde dan het Levitische priesterschap; en niet van het oude verbond, maar van het nieuwe. In Hebreeën 9 komt het betere heiligdom aan de orde, terwijl in hoofdstuk 10 het volmaakte offer - dat van het lichaam van Jezus Christus - beschreven wordt.

Vanaf hoofdstuk 10:19 dringt de schrijver, dan met beroep op deze dingen, erop aan toch vooral te wandelen in het geloof (denk aan het belangrijke elfde hoofdstuk over de geloofsgetuigen), waarna nogmaals een dringende oproep richting het Hebreeuwse volk, het nageslacht van Abraham, gedaan wordt.

Al met al is de Hebreeënbrief een rijke bron met heel veel informatie en uitleg over Gods werk met Zijn volk, in het kader van het nieuwe verbond. 

Kerntekst

"Laat ons oog daarbij (alleen) gericht zijn op Jezus, de Leidsman en Voleinder des geloofs ..." (hfdst. 12:2a).

De brief van Jakobus 

Algemeen

Samen met de brieven van Johannes, Petrus en Judas behoort de brief van Jakobus tot de zogenaamde 'algemene zendbrieven'. Al deze brieven zijn overwegend Joods van karakter, wat geheel aansluit bij het apostelschap van Johannes, Petrus en Jakobus. Tevens zijn het brieven die uitdrukkelijk tegen de achtergrond van de directe verwachting van de openbaring van Christus zijn geschreven. Wat in het bijzonder bij de Jakobusbrief opvalt, is het 'recht-toe-recht-aan' taalgebruik. Jakobus doet een heel direct beroep op de levenswandel en -houding van zijn volksgenoten.

Schrijver, ontstaan en bestemming

De Jakobusbrief is al in een vroeg stadium geschreven. Waarschijnlijk moeten we denken aan ongeveer het jaar 45. De schrijver is niet de Jakobus, die samen met zijn broer Johannes uit de discipelen tot apostel verkozen werd (Luc. 6:14); deze Jakobus werd namelijk door Herodes ter dood gebracht (Hand. 12:2). De schrijver van deze brief is Jakobus, de broeder des Heren (Matt. 13:55 en Gal. 1:19). Hij was dus een halfbroer van de Here Jezus en dezelfde die genoemd wordt in Handelingen 15:13. Hij gold als één van de steunpilaren van de gemeente te Jeruzalem (Gal. 2:9). Het is mooi om te zien dat Jakobus wíst Wie zijn Halfbroer in werkelijkheid was: hij noemt zichzelf een "dienstknecht van God en van de Here Jezus Christus" (Jak. 1:1) en noemt Hem "onze Here der heerlijkheid, Jezus Christus" (hfdst. 2:1).

In overeenstemming met de door Paulus in Galaten 2:7-9 naar voren gebrachte 'taakverdeling' blijkt dat Jakobus een bediening heeft ten opzichte van zijn eigen volksgenoten. Tot hen richt Jakobus zich dan ook: "Jakobus (...) groet de twaalf stammen in de verstrooiing" (hfdst. 1:1). Als we in Jakobus 2:2 lezen over een "vergadering", dan staat daar in de oorspronkelijke taal het woord 'synagoge'. Letterlijk zegt dit vers dus: "Want stel, er kwam in uw synagoge een man binnen ...". Al met al bevinden we ons met deze brief dus op Joodse bodem! Hier wordt niet zomaar aan gelovigen uit de heidenen geschreven, maar tot de twaalf stammen van Israël in de diaspora, waarbij we ons zelfs moeten afvragen of alle lezers wel geloofden in de Here Jezus Christus (vgl. hfdst. 5:5 en 6).

Structuur gehele brief

A.1 1:1-4 Volharding.
A.2 1:5-8 Gebed.
B.1 1:9 en 10a De geringe verhoogd; de rijke vernederd.
B.2 1:10b, 11a Het leven als het gras.
B.3 1:11b Het einde van de rijke.
C. 1:12-16 Begeerte.
D. 1:17 Goede gaven komen van boven.
E. 1:18-27 Gods Woord en de uitwerking daarvan.
F. 2:1-7 Het geloof; zonder partijdigheid.
G. 2:8 De koninklijke wet.
H. 2:9 en 10 De wet van Mozes; wordt door één overtreding gebroken.
H. 2:11 De wet van Mozes; wordt door één overtreding gebroken.
G. 2:12 en 13 De wet der vrijheid.
F. 2:14-26 Geloof; zonder werken.
E. 3:1-14 Het woord van de mens en de uitwerking daarvan.
D. 3:15-18 De wijsheid die van boven komt.
C. 4:1-5 Begeerten.
B.1 4:6-10 De hoogmoedige weerstaan; de nederige verhoogd.
B.2 4:11-17 Het leven als een damp.
B.3 5:1-6 Het einde van de rijke.
A.1 5:7-12 Volharding.
A.2 5:13-20 Gebed. 

Doel en inhoud

De spoedige verwachting van de wederkomst van de Here Jezus Christus voert in deze brief de boventoon. Met het oog op die komst, laat Jakobus zijn volksgenoten weten dat het van het allergrootste belang is, te weten aan wiens zijde je staat. Hierin is hoofdstuk 4:4 kenmerkend: "Overspeligen, weet gij niet, dat de vriendschap met de wereld vijandschap tegen God is? Wie dus een vriend der wereld wil zijn, wordt metterdaad een vijand van God". 'Overspel' betekent hier afval van de positie die Israël in Gods oog heeft. Daarbij gaat het om een huwelijksrelatie tussen God en het volk. Waar Israël andere goden achternaloopt, wordt er dus feitelijk overspel gepleegd! Iets wat in de eindtijd een afschuwelijke realiteit zal zijn; denk aan de aanbidding van de zoon des verderfs die zich in de tempel zal zetten (2 Tess. 2:4 en Openb. 13:4).

Een verwijzing naar de tijd direct voorafgaand aan de openbaring vinden we in Jakobus' aanhaling van de geschiedenis van Elia met betrekking tot de drie-en-een-half jaar droogte in Israël (hfdst. 5:17). Immers de tweede helft van de laatste jaarweek duurt ook zo lang.

Kerntekst

"... weet dan, dat, wie een zondaar van zijn dwaalweg terugbrengt, diens ziel van de dood zal behouden ..." (hfdst. 5:20).

De eerste brief van Petrus 

Algemeen

Evenals dat met de Jakobusbrief (zie voorgaand hoofdstukje) het geval is, behoren de beide Petrusbrieven samen met die van Johannes en Judas tot de 'algemene zendbrieven'. Deze door mensen bedachte uitdrukking is overigens wat misleidend: alsof met deze brieven aan christenen in het algemeen geschreven wordt, terwijl al deze brieven juist overwegend Joods/Israëlisch van karakter zijn.  

Schrijver, ontstaan en bestemming

De apostel Petrus behoorde tot de twaalven en nam onder hen een zeer belangrijke positie in. Ook is hij de apostel waar het om draait in de eerste helft van het boek Handelingen. Evenals Jakobus gold ook Petrus als één van de steunpilaren van de gemeente te Jeruzalem (Gal. 2:9). Hem waren de sleutels van het koninkrijk der hemelen gegeven (Matt. 16:19); sleutels die hij in Handelingen gebruikt eerst ten behoeve van het Joodse volk, later ten behoeve van de heidenen.

Als we in 1 Petrus 1:1 lezen dat Petrus zich richt tot de diaspora (= verstrooiing), moeten we onmiddellijk beseffen dat hiermee niet de heidenen (of de gemeente) worden bedoeld. In die zin is er in het licht van de Bijbel slechts één volk dat verstrooid is en dat is het volk van Israël; vergelijk hier ook Jakobus 1: "... de twaalf stammen in de verstrooiing" (vs. 1). Petrus richt zich daarmee tot gelovigen uit Israël die op dat moment in verschillende gebieden leefden; gebieden die in het tegenwoordige Turkije liggen. 

Blijkens 2 Petrus 3:15 heeft ook Paulus aan hen geschreven (bijv. door middel van de Galatenbrief). Daarbij schreef hij vanuit zijn eigen apostelschap waarbij (ook) voor Petrus één en ander moeilijk te verstaan was (2 Pet. 3:16).

Verder zien we dat Petrus het ook heeft over de "vaderen" (1 Pet. 1:18 en 2 Pet. 3:4), wat ons ook bepaalt bij het volk Israël (vgl. Rom. 9:5 en Hebr. 1:1).

Waarschijnlijk schreef Petrus zijn beide brieven rond het jaar 60 na Christus; dat is dus nog net vóór de afsluiting van de Handelingentijd. Hij schreef zijn brief volgens hoofdstuk 5:13 vanuit Babylon (de Griekse benaming van het Hebreeuwse Babel), de stad die gedurende deze huidige boze eeuw de grote tegenhanger is van Jeruzalem, de stad van de grote Koning.

Structuur gehele brief

A.1:1 en 2 Briefstijl.
B. 1:3-12 Inleiding, dankzegging; voorbeschouwing van het onderwerp van de brief.
C. 1:13-2:10 Algemene aansporingen met het oog op het einde.
D. 2:11-4:6 Bijzondere aansporingen met betrekking tot lijden en heerlijkheid.
C. 4:7-19 Algemene aansporingen met het oog op het einde.
D. 5:1-9 Bijzondere aansporingen met betrekking tot lijden en heerlijkheid.
B. 5:10 en 11 Afsluiting, gebed; afronding en samenvatting van het onderwerp van de brief.
A. 5:12-14 Briefstijl.

Doel en inhoud

Om deze brief (en ook de tweede Petrusbrief) goed te kunnen 'plaatsen', is het belangrijk dat we begrijpen dat Petrus een specifiek apostelschap van de Heer had ontvangen; namelijk: voor de besnedenen (Gal. 2:9). De boodschap die hij bracht, staat geheel in het kader van dat apostelschap. Daarom ligt ook deze brief in het verlengde van de boodschap die hij bijvoorbeeld predikte in Jeruzalem. De kern daarvan vinden we in Handelingen 3:19-21, waar staat: "Komt dan tot berouw en bekering, opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat er tijden van verademing mogen komen van het aangezicht des Heren, en Hij de Christus, Die voor u tevoren bestemd was, Jezus, zende; Hem moest de hemel opnemen tot de tijden van de wederoprichting aller dingen, waarvan God gesproken heeft bij monde van Zijn heilige profeten, van oudsher".

Als we de eerste Petrusbrief doorlezen, hoeven we weinig moeite te doen om te ontdekken dat hetgeen Petrus schrijft, tegen de achtergrond van deze komst van Christus staat (zie hfdst. 1:5, 7; 4:13, 17 en 5:8). Het koninkrijk van de Heer was blijkbaar nog steeds aanstaande. Door te verwijzen naar de "dagen van Noach" (hfdst. 3:20), laat Petrus zien dat men opnieuw op het punt stond van de ene 'eeuw' over te gaan naar de 'volgende'. Ditmaal zou met Christus' openbaring de toekomende eeuw aanbreken; de eeuw van Christus' koningschap.

Wat ook opvalt, is dat Petrus zijn lezers erbij bepaalt toch vooral hun positie in te nemen die zij hebben in Gods plan. Israël was onder het oude verbond gesteld tot een koninkrijk van priesters (Exod. 19:6) en nu (gedurende de Handelingentijd) roept Petrus de gelovigen op hun plaats als zodanig - maar nu onder het nieuwe verbond - in te nemen (hfdst. 2:4 en 5)

Kerntekst

"Doch de God van alle genade, Die u in Christus geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid, Hij zal u, na een korte tijd van lijden, volmaken, bevestigen, sterken en grondvesten" (hfdst. 5:10).

De tweede brief van Petrus

Algemeen

Samen met de brieven van Jakobus, Johannes en Judas behoren de beide Petrusbrieven tot de 'algemene zendbrieven'. We hebben eerder al aangegeven dat deze benaming door mensen bedacht is en feitelijk ook niet recht doet aan deze brieven. Uit de inhoud blijkt namelijk dat deze brieven niet zomaar aan christenen in het algemeen geschreven zijn, maar juist aan lezers met een Joodse/Israëlitische achtergrond.  

Schrijver, ontstaan en bestemming

Het is duidelijk dat deze brief door Petrus geschreven is; dat blijkt meteen al uit het openingsvers van de brief. Wat we echter ook mogen vaststellen, is dat deze brief een soort aanvulling is op de eerste en behalve dezelfde reden tot schrijven ook dezelfde lezers heeft. Zie hiervoor datgene wat Petrus schrijft in hoofdstuk 3:1. Eerst zegt hij: "Dit is reeds de tweede brief, geliefden, die ik u schrijf ...". De apostel richt zich dus tot dezelfde lezers. Daarna schrijft hij: "... in beide tracht ik uw zuiver besef door herinnering wakker te houden ...", waarmee hij het doel van het schrijven van beidebrieven samenvat. Veel van wat in het voorgaande gedeelte over de eerste Petrusbrief staat onder het kopje 'Schrijver, ontstaan en bestemming' geldt daarom ook in grote lijnen voor deze tweede brief.

Behalve dat de beide Petrusbrieven wat betreft inhoud en doelgroep overeenstemmen, liggen ze ook wat betreft het moment van schrijven dicht bij elkaar. Beide zijn waarschijnlijk rond het jaar 60 na Christus geschreven. Mogelijk dat Petrus de tweede brief net als de eerste vanuit Babylon schreef (zie 1 Pet. 5:13).

Structuur gehele brief

A.1:1-4 Inleiding, lofprijzing.
B. 1:5-11 Aansporing.
C. 1:12-15 Iets over Petrus zelf.
D. 1:16-21 Apostelen en profeten.
E. 2:1-22 Kenmerken van valse profeten.
C. 3:1 Iets over Petrus zelf.
D. 3:2 Profeten en apostelen.
E. 3:3-13 Houding ten opzichte van valse profeten.
B. 3:14-18a Aansporing.
A. 3:18b Afsluiting, lofprijzing. 

Doel en inhoud

De reden voor het schrijven van deze brief, noemt Petrus tweemaal: in hoofdstuk 1:13 en in 3:1. Hij wil zijn lezers "wakker houden" door hen te herinneren aan dat waar het werkelijk om gaat. Daarbij voorziet Petrus dat zijn dood aanstaande is. Zie hoofdstuk 1:14 waar hij het heeft over het afleggen van zijn tent, wat hij daarna omschrijft als zijn "heengaan". In de oorspronkelijke taal staat daar het woord exodus, uittocht. Zo zag hij zijn aanstaande dood dus; als een uittocht. Net als vroeger het volk Israël verlost werd om op weg te gaan naar het beloofde land.

Dit laatste stond er trouwens ook in werkelijkheid echt aan te komen voor het volk. Israël dat in de verstrooiing leefde, kon op het moment van schrijven van deze brief uitzien naar de uittocht uit de wereld om deel te krijgen aan het koninkrijk van de Here Jezus Christus (hfdst. 1:11) zoals dat op aarde gevestigd zou worden. Deze brief is geschreven vlak vóór de op dat moment verwachte aanstaande openbaring van de Koning Zelf. Men leefde werkelijk in de eindtijd. En net als eerder in Israëls geschiedenis waren er valse profeten opgestaan, waaronder er zelfs waren die tot "erkentenis van de Here en Heiland Jezus Christus" waren gekomen, maar toch weer verstrikt waren geraakt in het verderf (hfdst. 2:19 en 20). Heel hoofdstuk 2 is gewijd aan deze valse profeten en ook de woorden in hoofdstuk 3:3 e.v. liggen in deze lijn, als Petrus schrijft over de spotters en hun ongeloof in Gods Woord. Daar staat tegenover het onwrikbare vertrouwen van Petrus zelf. In hoofdstuk 1:16-21 schrijft hij dat hij geen verzinsels (letterlijk: mythen) is nagevolgd, maar het betrouwbare Woord van God, dat gesproken is door mensen die door de Heilige Geest gedreven werden. De Bijbel is geen verzinsel of sprookje, maar betrouwbaar in elk opzicht, omdat de Bijbel het Woord van God is. 

De tijd waarin Petrus dit schreef, zal in de nabije toekomst herhaald worden, omdat de komst van de Koning door ongeloof van Israël is uitgesteld. In die tijd - toen en in de toekomst - komt het erop aan, wat er geloofd wordt: het woord van valse profeten of het Woord van God Zelf. Maar in feite is dit iets dat altijd van het grootste belang is; ook in onze tijd, waarin we zoveel ongeloof in Gods Woord zien; vaak ook onder gelovigen zelf! 

Kerntekst

"Dit moet gij vooral weten, dat geen profetie der Schrift een eigenmachtige uitlegging toelaat; want nooit is profetie voortgekomen uit de wil van een mens, maar, door de heilige Geest gedreven, hebben mensen van Godswege gesproken" (hfdst. 1:20 en 21).

De eerste brief van Johannes

Algemeen

Samen met de brieven van Jakobus, Petrus en Judas behoren de drie Johannesbrieven tot de 'algemene zendbrieven'. In voorgaande paragrafen is al aangegeven dat deze benaming door mensen bedacht is en feitelijk ook niet recht doet aan deze brieven. Uit de inhoud blijkt namelijk dat deze brieven niet zomaar aan christenen in het algemeen geschreven zijn, maar juist aan lezers met een Joodse / Israëlitische achtergrond. 

Schrijver, ontstaan en bestemming

Evenals in het Johannesevangelie vinden we ook in deze en de andere Johannesbrieven de naam van de schrijver niet terug. Het enige bijbelboek dat Johannes' naam vermeldt is het boek Openbaring (hfdst. 1:1). Johannes was overigens één van de "steunpilaren" van de gemeente te Jeruzalem (Gal. 2:9).

Doorgaans wordt (vanuit de traditie) aangenomen dat de Johannesbrieven aan het einde van de eerste eeuw na Christus geschreven zijn en wel vanuit Efeze. Toch is daar in het geheel geen bewijs voor. Inhoudelijk gezien, ligt het meer voor de hand dat de brieven geschreven zijn gedurende de Handelingentijd. Johannes schrijft namelijk duidelijk vanuit de achtergrond van de aanstaande wederkomst van de Heer; allerlei kenmerken van die aanlooptijd komen in de brief naar voren. Zo schrijft hij over de (geest van de) antichrist (hfdst. 2:18 en 22 en 4:3) en zegt hij dat het "de laatste ure" is (hfdst. 2:18). In hoofdstuk 2:28 en 3:2 gaat het bovendien over de verschijning van Christus en klinkt ook de verwachting daarvan door. Bovendien wordt in hoofdstuk 2:28 gesproken over de (toe)komst van de Heer; letterlijk staat er: in Zijn aanwezigheid (parousia). Deze uitdrukking vinden we letterlijk ook terug in 1 Korintiers 15:23 en 2 Korintiërs 7:7.

Omdat het 'normale' briefhoofd mist, vinden we behalve de naam van de schrijver, ook de geadresseerden niet terug. Vanuit Johannes' apostelschap mogen we in ieder geval aannemen dat we te maken hebben met Joodse / Israëlitische lezers. Hij schrijft ze over het algemeen aan als (zijn) kinderkens (bijv. 2:2, 12, 18, 28 en 3:18) en geliefden (bijv. 2:7 en 4:1 en 7).

Structuur gehele brief

A.1:1-2:17 Christus.
B. 2:18-29 Antichrist.
C. 3:1-24 Liefde.
B. 4:1-6 Antichrist.
C. 4:7-21 Liefde.
A. 4:7-21 Christus. 

Doel en inhoud

We schreven onder 'Schrijver, ontstaan en bestemming' al iets over de achtergrond van deze brief. Die achtergrond is grotendeels bepalend voor het doel en de inhoud van de brief. In de aanlooptijd naar de aanwezigheid (parousia) van de Here Jezus Christus, wijst Johannes duidelijk op de noodzaak van het openlijk dragen van het getuigenis in die tijd. Daarbij kunnen de gelovigen niet zomaar 'de kantjes er vanaf lopen', wat het geloof betreft. Dat moet in onze tijd natuurlijk ook niet, maar in die toekomstige tijd komen deze dingen veel meer aan het licht. Waar wij vaak nog dingen wat verborgen kunnen houden, kan dat dan niet. Je bent of vóór of tegen God. Je bent óf uit Hem geboren (en dan zondig je dus niet) óf je bent niet uit Hem (en zondig je dus wel); vergelijk hoofdstuk 3:5 en 9. In vers 8 van dat hoofdstuk schrijft Johannes: "... wie de zonde doet, is uit de duivel ...". Het is de ernstige tijd die door de Here Jezus beschreven werd in de rede over de laatste dingen, waarin Hij sprak over valse christussen (Matt. 24:24). Een tijd van keuzes en een praktische geloofsopenbaring waarin duidelijk zal worden bij wie de gelovigen zullen horen: Christus of de antichrist.

Het 'zwart-witte' dat de brieven van Petrus en in meerdere mate die van Jakobus kenmerkt, proeven we ook hier duidelijk terug; dat wil zeggen: de wijze waarop dit geformuleerd wordt. Johannes wijst de gelovigen erop dat slechts het met de daad belijden van het geloof, telt (hfdst. 3:18); dan pas komt de liefde werkelijk tot uiting.

De eerste Johannesbrief is al met al een bemoedigende brief die de "kinderkens" en "geliefden" ertoe aanspoort te getuigen vóór de waarheid, een onberispelijke wandel te hebben en Gods onvoorwaardelijke liefde te tonen, als bewijzen van het waarachtige geloof. Geen woorden, maar daden!

Kernteksten

"En dit is het getuigenis: God heeft ons eeuwig leven gegeven en dit leven is in Zijn Zoon. Wie de Zoon heeft, heeft het leven; wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet (...) wij weten, dat de Zoon van God gekomen is en ons inzicht gegeven heeft om de Waarachtige te kennen; en wij zijn in de Waarachtige, in Zijn Zoon Jezus Christus. Dit is de waarachtige God en het eeuwige leven" (hfdst. 5:11, 12 en 20).

De tweede en derde brief van Johannes

Algemeen

Samen met de brieven van Jakobus, Petrus en Judas behoren de drie Johannesbrieven tot de 'algemene zendbrieven'; een door mensen bedachte benaming die feitelijk niet recht doet aan deze brieven. Uit de inhoud blijkt namelijk dat deze brieven niet zomaar aan christenen in het algemeengeschreven zijn, maar juist aan lezers met een Joodse/Israëlitische achtergrond. 

Schrijver, ontstaan en bestemming

Zie voor wat betreft informatie over de schrijver en het ontstaan van de brief het voorgaande gedeelte over de eerste Johannesbrief. Johannes die één van de "steunpilaren" van de gemeente te Jeruzalem (Gal. 2:9) was, noemt zich in de tweede en derde Johannesbrief "de oudste".

Deze beide brieven zijn persoonlijker van aard dan de eerste Johannesbrief. Zo schrijft Johannes zijn tweede brief aan "de uitverkoren vrouw en haar kinderen" (vs. 1) en zijn derde aan "de geliefde Gajus" (vs. 

1). Het zijn dus brieven die meer voor individuele personen bestemd zijn. En voor beide personen geldt dat Johannes ze "in waarheid" liefheeft. En daarmee hebben we eigenlijk ook meteen het algemene thema van deze brieven te pakken: de waarheid; zowel de wandel in de waarheid, als het getuigenis dat van de waarheid uit gaat.

Structuur gehele brief - 2 Johannes

A. 1-3 Aan de uitverkoren vrouw en haar kinderen; lofprijs.
B. 4-6 De wandel naar het gebod van de Vader.
C. 7 en 8 Misleiders.
B. 9-11 Tegenstand tegen de leer van Christus.
A. 12-13 Kinderen van uw uitverkoren zuster; groet. 

Structuur gehele brief - 3 Johannes

A. 1 en 2 Groet.

B. 3 en 4 Getuigenis van de wandel in de waarheid.
C. 5-8 De liefde tot vreemdelingen wordt geprezen.
D. 9 en 10 Het kwaad door Diotrefes aangericht.
C. 11 Aansporing om het goede te doen.
B. 12 Getuigenis van de wandel in de waarheid.
A. 13 en 14 Groet. 

Doel en inhoud

De inhoud van de tweede Johannesbrief sluit in grote mate aan bij de eerste Johannesbrief. Ook aan de "uitverkoren vrouw en haar kinderen" schrijft Johannes over het blijven in de waarheid en het wandelen naar Zijn geboden. Tevens vinden we er de waarschuwing voor de vele misleiders die in de wereld uitgegaan zijn en die in overeenstemming met de misleider en de antichrist de komst van Jezus Christus in het vlees niet belijden (vs. 7).

Evenals dat bij de eerste Johannesbrief het geval was, geldt ook hier dat de twee volgende Johannesbrieven zijn geschreven tegen de achtergrond van de zeer aanstaande komst van de Here Jezus Christus. En in die aanlooptijd naar de openbaring en aanwezigheid van de Here Jezus Christus, komt het met name op het getuigenis aan dat voortkomt uit de waarheid. Zeker wanneer we de tweede Johannesbrief zo tegen die achtergrond van de openbaring bezien, zouden we in de "uitverkoren vrouw en haar kinderen" wellicht ook een beeld mogen zien van de vrouw en haar nageslacht in het laatste boek van Johannes, de Openbaring van Jezus Christus (vgl. Openb. 12:1, 6 en 17). In Openbaring 12:17 staat: "En de draak werd toornig op de vrouw en ging heen om oorlog te voeren tegen de overigen van haar nageslacht, die de geboden van God bewaren en het getuigenis van Jezus hebben ...". Dit 'bewaren van de geboden van God' sluit weer geheel aan bij 2 Johannes 4-6.

Al met al zijn ook de tweede en derde brief van Johannes geschriften die de gelovigen aansporen in de waarheid te wandelen en hen waarschuwen voor misleiding en dergelijke.

Kernteksten

"En dit is de liefde, dat wij naar Zijn geboden wandelen" (2 Joh. 6a) en "Geliefde, volg het kwade niet na, maar het goede. Wie goed doet, is uit God ..." (3 Joh. 11).

De brief van Judas 

Algemeen

Met de brief van Judas zijn we aangekomen bij de laatste van de zogenaamde 'algemene zendbrieven'. Evenals dat met de andere 'algemene zendbrieven' het geval is, geldt ook voor de brief van Judas dat deze met name gericht is aan lezers met een Joodse/Israëlitische achtergrond; niet zomaar aan christenen in het algemeen.

Schrijver, ontstaan en bestemming

De brief begint met de woorden "Judas, een dienstknecht van Jezus Christus en een broeder van Jakobus". Daarmee is duidelijk dat Judas de schrijver is. Hij omschrijft zich als "een broeder van Jakobus". Hiermee verwijst hij naar het feit dat hij een broer was van de schrijver van de Jakobusbrief. Net als Jakobus is hij daarom ook een (half)broer van de Here Jezus (Matt. 13:55); beide broers hadden wel dezelfde moeder (Maria), maar de vader van Jakobus en Judas was Jozef, terwijl de Here Jezus de Zoon van God is. Evenals Jakobus wist Judas wie zijn halfbroer in werkelijkheid was en daarom noemt (ook) hij zich "een dienstknecht van Jezus Christus" en erkent hij dat Hij "onze enige Heerser en Here" is (vs. 4b). 

Over het algemeen wordt aangenomen dat deze brief omstreeks dezelfde tijd als de Jakobusbrief geschreven is en wel in het jaar 46.

De brief is gericht "aan de geroepenen, die in God, de Vader, geliefd en voor Jezus Christus bewaard zijn" (vs. 1). De inhoud van de brief lijkt erg veel op die van hoofdstuk 2 van de tweede Petrusbrief; of eigenlijk lijkt dat hoofdstuk veel op deze brief, omdat Petrus zijn brieven waarschijnlijk later schreef. Hierdoor ligt het voor de hand dat Judas dezelfde doelgroep aanschrijft: Israëlieten die in de verstrooiing leefden. Dit wordt nog versterkt door Judas' oproep aan zijn lezers, zich de woorden te herinneren die "door de apostelen van onze Here Jezus Christus" gesproken zijn (vgl. 2 Pet. 3:1 en 2). Vergelijk ook Judas 18 met 2 Petrus 3:3.

Structuur gehele brief

A. 1 en 2 Groet.
B. 3 Aansporing.
C. 4 Goddelozen die Jezus Christus verloochenen.
D. 5a Herinnering aan het werk van verlossing door de Heer.
E. 5b-16 Vergelding.
D. 17 Herinnering aan de woorden van de apostelen van de Here Jezus Christus.
C. 18 en 19 Goddelozen die scheuring brengen.
B. 20-23 Aansporing.
A. 24 en 25 Lofprijzing.

Doel en inhoud

Zoals onder 'Schrijver, ontstaan en bestemming' al naar voren kwam, is de overeenkomst met de tweede Petrusbrief opmerkelijk. En net als bij de tweede Petrusbrief is ook voor Judas het voornaamste doel de gelovigen te herinneren aan het werk van de Heer en de woorden van de apostelen. Het grootste deel van de brief (vs. 5b-17) is heel waarschuwend van karakter; dit deel vormt het hoofddeel van de brief (zie structuur). De reden daartoe is dat er binnen de kring van gelovigen mensen waren binnengeslopen die de genade van God veranderden in losbandigheid en de Here Jezus Christus verloochenden. "Goddelozen", zo omschrijft Judas ze (vs. 4) en later typeert hij ze met "natuurlijke mensen, die de Geest niet hebben" (vs. 19).

Hij spoort de gelovigen aan zich te bewaren "in de liefde Gods" door zichzelf op te bouwen in hun "allerheiligst geloof en door te bidden in heilige geest" (vs. 20).

Judas vergelijkt deze 'binnengeslopen verleiders' en hun werken met voorbeelden vanuit het Oude Testament. De lezers van deze brief moeten dus van de inhoud van het Oude Testament op de hoogte geweest zijn. In dit verband noemt Judas de engelen, die gemeenschap zochten (en vonden!) met de dochters van de mens (Gen. 6), Sodom en Gomorra, Kaïn, Bileam, Korach en degenen waarover Henoch profeteerde. Daarmee worden deze "dromenzieners" (vs. 8) in een illustere rij van voorgangers gezet en blijken ze alles te maken te hebben met Gods tegenstander en diens werken der duisternis.

Kernteksten

"Hem nu, Die u voor struikelen kan behoeden en onberispelijk doen staan voor Zijn heerlijkheid in grote vreugde, de enige God, onze Heiland, zij door Jezus Christus, onze Here, heerlijkheid, majesteit, kracht en macht vóór alle eeuwigheid, èn nu èn in alle eeuwigheden! Amen" (vs. 24 en 25).

Openbaring 

Algemeen

Het laatste bijbelboek vormt de afsluiting van dat wat God wilde openbaren. Van allerlei zaken die in het eerste boek Genesis begonnen, wordt in Openbaring de afronding beschreven. Er liggen dan ook vele lijnen tussen deze beide bijbelboeken. De wederkomst van Jezus Christus staat centraal in dit bijbelboek; de officiële naam van dit boek luidt dan ook: "Openbaring van Jezus Christus" (hfdst. 1:1). Hierbij gaat het om openbaren in de zin van iets bekend maken; tegelijk gaat het in dit boek om de openbaring van Christus en alles wat daarmee samenhangt.

Schrijver, ontstaan en bestemming

Wie de schrijver is, maakt het eerste vers meteen al duidelijk: Johannes. Op zich is het vrij opmerkelijk dat van de vijf bijbelboeken die Johannes geschreven heeft, dit laatste bijbelboek het enige is, waarin we zijn naam als schrijver ook daadwerkelijk vinden! De naam Johannes is de Griekse vorm van het Hebreeuwse Jochanan, dat 'De HERE is genadig' betekent. Het is alsof daarmee onderstreept wordt, dat juist te midden van de oordelen die in Openbaring beschreven worden, beseft moet worden dat de HERE genadig is!

Algemeen aangenomen wordt dat dit bijbelboek rond 96 na Christus geschreven is. Toch zijn er ook argumenten dat Openbaring mogelijk eerder geschreven is; al gedurende de Handelingentijd.

Johannes bevond zich ten tijde van het schrijven op Patmos (hfdst. 1:9). Wat voor de zeven algemene zendbrieven geldt, geldt ook hier: Johannes had een apostelschap ten behoeve van de besnedenen (Gal. 2:9). Degenen voor wie het boek Openbaring bestemd is, worden in het boek zelf in lijn met Johannes' apostelschap beschreven als "Zijn dienstknechten (hfdst. 1:1); de "zeven gemeenten in Asia" (hfdst. 1:4) en "een koninkrijk (...) priesters voor Zijn God en Vader" (hfdst. 1:6). Met name deze laatste benaming bepaalt ons bij het volk Israël (zie Exod. 19:6). 

Structuur gehele brief

A.  1. Inleiding. De engel getuigt. Zie, Hij komt. De Zoon des mensen. Johannes viel voor Zijn voeten. Zeven sterren.
B.    2 en 3. Het overblijfsel op aarde. De tijd van verdrukking. Aanmoedigingen om te overwinnen. Lijden met het oog op de nieuwe hemel en aarde, het paradijs en het nieuwe Jeruzalem.
C.   1 (a) 4 en 5. In de hemel. De troon, het boek, het Lam, de vier dieren en alle schepsel.
(b) hfdst. 6:1-7:8. Op de aarde. De zes zegels. De honderdvierenveertigduizend uit de stammen van Israël.
2 (a) 7:9-8:6. In de hemel. De schare die niemand tellen kon en het zevende zegel.
(b) 8:7-11:14. Op de aarde. Het geschal van de zes bazuinen.
3 (a) 11:15-19a. In de hemel. Het geschal van de zevende bazuin. Het koninkrijk.
(b) 11:19b. Op de aarde. De aardbeving, etc.
4 (a) 12:1-12. In de hemel. De vrouw, het mannelijke kind en de draak.
(b) 12:13-13:18. Op de aarde. De draak, het beest en de valse profeet.
5 (a) 14:1-5. In de hemel. Het Lam en de honderdvierenveertigduizend.
(b) 14:6-20. Op de aarde. De zes engelen.
6 (a) 15:1-8. In de hemel. De zeven engelen met de schalen.
(b) 16:1-18:24. Op de aarde. De zeven schalen.
7 (a) 19:1-16. In de hemel. De bruiloft van het Lam.
(b) 19:17-20:15. Op de aarde. Het laatste oordeel en de duizendjarige heerschappij.
B.   21:1-22:5. De nieuwe hemelen en aarde. Het nieuwe Jeruzalem. Geen moeite meer, noch dood. Het geboomte des levens. De overwinnaars beërven deze dingen.
A.  22:6-21. Slot. Johannes valt voor de voeten van de engel. De blinkende Morgenster. De engel getuigt. Ja, Ik kom spoedig.

Doel en inhoud

Het doel van het boek Openbaring staat meteen al in het openingsvers: "... om Zijn dienstknechten te tonen hetgeen weldra moet geschieden ...". Dat wat 'geschieden moet' zijn de gebeurtenissen die plaatsvinden direct voorafgaand, tijdens en na de openbaring van Christus Zelf. Deze openbaring zelf wordt driemaal beschreven (hfdst. 6:12-17; 11:15-19 en 19:11-16). Openbaring geeft namelijk van begin tot einde niet zomaar een chronologische beschrijving van de gebeurtenissen, maar omschrijft deze juist in 'lagen', waarbij op een steeds intensievere wijze naar voren komt wat er allemaal te gebeuren staat. De eerste 'laag' wordt omschreven door middel van de zeven zegels (hfdst. 6 en 8:1 en 2). Hiermee komt een eerste beschrijving van de gebeurtenissen tot aan de openbaring naar voren. Daarna wordt er als het ware een tweede laag van beschrijvingen gegeven aan de hand van de bazuinen (hfdst. 8, 9 en 11:14-19), waarvan de laatste drie bazuinen "weeën" genoemd worden. Ook deze beschrijvingen gaan tot en met de openbaring van Christus.

Dan volgen in hoofdstuk 16 de beschrijvingen van wat er op het moment van en direct na de openbaring van Christus plaatsvindt en wel aan de hand van de "zeven schalen van de gramschap Gods" (vs.1). 

Kernteksten

"Zie, Ik maak alle dingen nieuw" (hfdst. 21:5).